Films: **** Extra's: **** (Paramount)
...

Films: **** Extra's: **** (Paramount) Eindelijk krijgen we de eerste twee delen van Francis Ford Coppola's maffia-epos te zien zoals het hoort: niet in een verkleurde, visueel afgezwakte versie omdat bij de digitalisering uit 2001 vertrokken werd van een inferieure master, maar in een meticuleus gerestaureerde versie die de magnifieke gedempte kleurenfotografie van Gordon Willis in eer herstelt. (Op een van de bijgaande nieuwe docu's wordt dit slopende proces beknopt uit de doeken gedaan.) Zo verbluffend blijft de door diepzwart en koperachtig geel gedomineerde fotografie dat je met enige overdrijving kunt stellen dat noch de acteurs (zelfs al heten ze Marlon Brando, Al Pacino en Robert De Niro), noch maestro Coppola de show stelen van deze grandioze gangstersaga. Nee, de echte ster van deze restauratie is de grote Gordon Willis. Critici van de radicale stijl van Willis beweren wel eens smalend dat hij 'Rembrandt-clair-obscureffecten wil bereiken met een lampje van 10 watt.' Willis is inderdaad de meester van de extreme duisternis en de minimale lichtbronnen. De beroemde openingsscène van de eerste Godfather zet de toon. Hierin wordt een zonovergoten bruiloft in de tuin (waarin Willis het Kodachromegevoel van de jaren veertig oproept) afgewisseld met dreigend donkere scènes binnenshuis waar Don Corleone (Brando) en zijn hofhouding geobserveerd worden bij hun dubieuze rituelen van crimineel dienstbetoon. Dit contrastrijke spel met licht en duisternis is zeker geen kwestie van mooifilmerij, maar vat de essentie van de trilogie samen: de gapende afgrond tussen warme familiale taferelen aan de buitenkant en een verborgen onderwereld van misdaad, complotten en geheime erecodes. Bovendien zijn de parti-pris in de belichting ook onlosmakelijk verbonden met de mise-en-scène en bepalen ze ritme en montage. Omdat de toeschouwer letterlijk moet wennen aan het donker en slechts na enige tijd nuances ontwaart in ogenschijnlijk compleet verduisterde interieurs, worden de shots ook lang aangehouden. Om het tableauachtige effect te vergroten zijn de beelden strak en frontaal gekadreerd, beweegt de camera nauwelijks of niet. Wat meteen voor een langzaam en plechtstatig tempo zorgt. Het kon Willis ook geen moer schelen dat de beelden zo donker waren dat je vaak de ogen niet zag van de acteurs, waarmee hij zijn voeten veegde aan een van de ijzeren wetten van de klassieke cinematografie. Omdat hij zijn eigen stelregel belangrijker achtte: 'Many times, what you don't see is much more effective than what you do see.'Patrick Duynslaegher