The Eighteenth Day Of May ****

'THE EIGHTEENTH DAY OF MAY'
...

'THE EIGHTEENTH DAY OF MAY'HANNIBAL Folk is aan een comeback bezig, maar laat u dat vooral niet inspireren om uw geitenwollen sokken te stoppen, want het genre is dat stigma duidelijk ontgroeid. Op de Boombals hier te lande - dansfeesten-met-live-orkest, waarvan Wim Claeys, accordeonist bij Ambrozijn en Tref, een van de bezielers is - tref je bijvoorbeeld niet alleen oudere jongeren, maar ook het hippere volk dat zo uit discotheken en clubs lijkt weggelopen. Ook over het kanaal lijkt er wat te bewegen. Bijna een jaar geleden werd de debuutsingle The Highest Tree/Sir Casey Jones van folkgroep The Eighteenth Day of May door het toonaangevende muziekblad NME de hemel in geprezen, een eer die normaal gezien enkel voor indie-bands is weggelegd. Maar The Eighteenth Day Of May is dan ook een speciaal geval. De spil wordt gevormd door de uit New Orleans geëmigreerde zangeres/fluitiste Allison Brice, de in Zweden geboren gitarist/sitarspeler Richard Olson en de uit Oxford afkomstige gitarist/mandolinespeler Ben Phillipson. De drie vonden elkaar enkele jaren geleden in Londen. Ondanks hun uiteenlopende achtergronden bleken ze een passie voor de Britse folk uit de jaren 70 te delen - denk aan Martin Carthy, Pentangle en Fairport Convention. Op hun eerste cd coveren ze dan ook Deed I Do van Bert Jansch (Pentangle), die als gitarist eerder al als groot voorbeeld fungeerde voor Johnny Marr van The Smiths. Naast die herneming staan nog twee traditionals op de cd, voor de rest schreef The Eighteenth Day Of May alles zelf. Het zegt veel over de eigen weg die de groep wil bewandelen. De wortels van hun muziek mogen dan tot dertig jaar terug reiken, hun aanpak is bijzonder fris. De plaat werd in veertien dagen afgewerkt. Al klinkt ze spontaan en soms ongepolijst, de songs steken wel degelijk puik in elkaar. In Sir Casey Jones en instrumental Twig Folly Close plegen gitaren en mandolines een vrolijk dansje. Toch is het geen zuivere akoestische, traditionele muziek die je hoort. Ook de rock uit de sixties heeft zijn sporen nagelaten. Een nummer als Flowers Of The Forest neigt wat naar The Velvet Underground - die viola, dat minimalisme. De zangharmonieen in Monday Morning's No Good Coming Down en de rinkelende gitaren doen dan weer aan The Byrds denken, terwijl in Hide + Seek even de Beach Boys doorklinken. Mooi hoe de galm van de gitaar en de opwippende bas in Eighteen Days stilaan het tempo en de spanning opdrijven tot melodielijnen kriskras door elkaar beginnen te lopen. Nog psychedelischer is het spookachtige miniatuurtje The Mandrake Screams, dat het album onwezenlijk afsluit. De groep haalde zijn naam niet voor niets uit een murder ballad: onder de sprankel van hun songs schuilt onmiskenbaar iets lugubers en onheilspellends. Of wat dacht je van een tekstflard als ' come all you thoughtless young men/a warning take by me/to think on my unhappy fate/to be hanged upon a tree'. Fans van Two Gallants en The White Stripes moeten zich in de verhalen van The Eighteenth Day Of May kunnen vinden. Misschien kunnen deze heren en dame voor de Britse rootsmuziek betekenen wat Jack en Meg White voor het Amerikaanse equivalent hebben betekend. Folk is weer hip, jaja. Wie had dat gedacht? Peter Van Dyck