1955
...

1955Film: **** Extra's: * Carlotta/Twin Pics (Franse import; geen Nederlandse onderschriften) Als wrede afrekening met Hollywood kan The Big Knife tellen, maar de makers viseren ook de ruimere Amerikaanse samenleving. Volgens de linkse toneelschrijver Clifford Odets, auteur van het originele stuk waarop Robert Aldrich zijn film baseerde, is het mekka van de film niet meer dan een extremere versie van het kapitalistische systeem. Wie het in die wereld wil maken, moet bereid zijn aan zijn morele waarden te verzaken en de anderen te beschouwen als marionetten en objecten die na gebruik mogen worden weggegooid. Odets' monster van dienst is de tirannieke Hollywoodmagnaat Stanley Hoff (Rod Steiger); de vertwijfelde man die zijn ziel aan de duivel heeft verkocht, is de populaire filmster Charlie Castle (Jack Palance). Als Castle het vertikt om nog langer in Hoffs middelmatige producties op te draven en hij onder de invloed van zijn idealistische vrouw (Ida Lupino) weigert om een nieuw zevenjaarcontract te ondertekenen, gaan de poppen aan het dansen. Hoff is vastbesloten om zijn kip met de gouden eieren in eigen stal te houden en deinst voor niets terug om zijn doel te bereiken: manipulaties allerhande, vernederingen, chantage en moord. Een voor de gelegenheid blond geverfde Rod Steiger zet een heuglijke prestatie neer als dit abjecte creatuur. Wat deze opvliegende tiran zo grotesk maakt, is dat hij zelf overtuigd is van zijn eigen goedheid. Wanneer hij geen gelijk haalt, kan hij net zo goed destructief tekeergaan als beginnen te huilen als een klein kind. Dat trekje heeft hij gemeen met de legendarische MGM-mogul Louis B. Mayer, al is de figuur van deze driftige filmpotentaat vooral geïnspireerd op Harry Cohn, de gehate baas van de Columbiastudio. Gelukkig krijgt Steiger in zijn methodexcessen flink weerwerk van Jack Palance. Palance werd meestal in de schurkenrol gedwongen door zijn opgelapte fysiek - tijdens zijn dienst als piloot in de oorlog was zijn gezicht zwaar verbrand geraakt, wat met plastische chirurgie opgelapt werd. Deze vertolking van een gekwelde acteur was een van zijn weinige kansen om zijn sinistere imago te ontwijken. Dat zijn gefolterd acteren herinneringen oproept aan John Garfield, de linkse acteur die door de communistenjagers de dood werd ingestuurd, versterkt nog de schaduw van het McCarthyisme die onheilspellend over de hele film hangt. Regisseur Robert Aldrich nam de wijze beslissing om nooit de theatrale afkomst te verdoezelen - de hele film speelt zich af in het unieke decor van een villa in Bel Air. Integendeel: hij zet de hysterische confrontaties zo sterk in de verf dat het lijkt alsof het hele kamerdrama op elk moment in ons gezicht kan ontploffen. Patrick Duynslaegher