Gij hovaardige zot! Gij uil! Hebt gij een abonnement op Duifke Lacht, misschien?' Suizend zwiepten we de gesel over onze rug. Ons verdiende loon. Alsof er geen tekenen genoeg waren geweest om niet naar binnen te gaan. Toekomen in het Brussels Media Center (BMC) en de hele staf van Knack zat in de gang op een kluitje. 'Ik zou niet binnengaan', had er ons nog één toegeroepen. 'Reynebeau is daar!' En toch, East of the Sun, West of the Moon fluitend waren we naar binnen gelopen, één hand nonchalant in een broekzak, op zoek naar een postbakje en een lauwe koffie. Flash! Een volgspot in onze ...

Gij hovaardige zot! Gij uil! Hebt gij een abonnement op Duifke Lacht, misschien?' Suizend zwiepten we de gesel over onze rug. Ons verdiende loon. Alsof er geen tekenen genoeg waren geweest om niet naar binnen te gaan. Toekomen in het Brussels Media Center (BMC) en de hele staf van Knack zat in de gang op een kluitje. 'Ik zou niet binnengaan', had er ons nog één toegeroepen. 'Reynebeau is daar!' En toch, East of the Sun, West of the Moon fluitend waren we naar binnen gelopen, één hand nonchalant in een broekzak, op zoek naar een postbakje en een lauwe koffie. Flash! Een volgspot in onze ogen, pupillen die verkrampten als een sluitspier, en de wazige contouren van Bart De Pauw en Tom Lenaerts. Zij: 'Kent u Marc Reynebeau?' Wij (schichtig): 'Jawel.' Zij: 'U werkt hier?' Wij (ach, we zijn toch niet bang van die camera?): 'M-hm.' Zij: 'Dan moet u wel erg slim zijn, misschien wel slimmer dan Marc Reynebeau?' Wij (met de cadans van JFK aan de Berlijnse Muur): 'Dat spreekt vanzelf. Ik Ben Een Slimme Mens.' In een ooghoek knipte het rode lampje van een camera uit. Heel Knack op zijn gat van het lachen. De twee debardeurkes lieten de champagne knallen. Reynebeau schoof ons meewarig het boek 'Emmanuel Kant for Dummies' toe. Het duifke lachte niet meer. Van pure ellende doken we een weeklang onder in de donkere bossen van de Oostkantons, wachtend tot de uitzending van Mannen op de rand van een zenuwinzinking, met Reynebeau als centrale gast en onszelf in een cameo, voorbij was en het hardste hoongelach was uitgestorven. In de refter van het BMC zou de echo blijven nagalmen, maanden en maanden. Bij Woestijnvis is Reynebeau intussen terecht gepromoveerd van veelweter tot juryvoorzitter van aspirant-veelweters in de quiz De slimste mens ter wereld. Die vacature werd per vergissing ingevuld door Alain Grootaers. En alleen in tijden waarin Alain Grootaers de slimste mens ter wereld is, kan quizmaster Erik Van Looy de nieuwe Herman Van Molle zijn. Proeft u die naam nog eens. Dat zachte binnenrijm van de a, warm omarmd door de alliteratie van malse m'en. Van Molle is de King. Van Molle ís zijn quiz. Als kijker geloof je niet alleen dat hij alle vragen zelf heeft bedacht tijdens een potje ijsvissen in Noord-Zweden, maar ook dat hij alle antwoorden er en passant heeft bijgeleverd, kwestie van zijn redacteurs niet te veel af te jakkeren. Zijn typische grijns - een interludium in afwachting dat zijn grappen doordringen bij de toehoorders - krijgt u er zomaar bij. Geloofwaardigheid, heet zoiets. Dat heb je of je hebt het niet, en Erik Van Looy heeft het ook - maar dan anders. Ondanks alle onzin vallen wij voor de manier waarop hij zichzelf in De laatste show onderuithaalt. Hoe hij verlegen naar de grond kijkt als iemand hem met De Zaak Alzheimer complimenteert. Hoe hij als quizmaster in De slimste mens ter wereld hard zijn best doet om geen flauwe grapjes te vertellen, maar zichzelf met opgetrokken wenkbrauwen op een fluitwindje betrapt. Hoe hij hinniklacht tot hij snapt wat hij eigenlijk uitgekraamd heeft. Hoe hij op zulke momenten even de camera vergeet. Ook dát is geloofwaardigheid. Drie jaar na Mannen op de rand zijn wij in de kelders van het BMC nog altijd op zoek naar de onze. DOOR Bart Cornand