Een fragment van een talkshow uit 1981. Een man met een baard houdt een vlammend pleidooi voor journalistieke eerlijkheid in de sportverslaggeving. 23 jaar later kijkt hij naar de beelden van toen. 'Ik wil dit eigenlijk niet zien. Dat vingertje in de lucht. Het is ook nog een beetje moralistisch. Ik gruw ervan.'
...

Een fragment van een talkshow uit 1981. Een man met een baard houdt een vlammend pleidooi voor journalistieke eerlijkheid in de sportverslaggeving. 23 jaar later kijkt hij naar de beelden van toen. 'Ik wil dit eigenlijk niet zien. Dat vingertje in de lucht. Het is ook nog een beetje moralistisch. Ik gruw ervan.'Telkens weer staan we ervan te kijken. Van mensen die even rechtop gaan zitten, hun pochet een halve centimeter hoger trekken en dan met dramatische pauzes tussen de woorden declameren: 'Ik. Ben. Bescheiden.' De zelfgekroonde keizer van het genre is Hugo Camps. Vorige week was het weer zover. Camps was op Canvas te gast bij Frank Raes in Niet te wissen. Behalve een te laat uitzenduur heeft het programma alles in huis om te slagen. Een presentator die zowaar weet waarover hij praat, een stijlvol decor, een beeldarchief van 50 jaar sportgeschiedenis en intelligente gasten. Alleen kreeg Raes met de onvermoeibaar diftongerende columnist meer dan hij gevraagd had. Want Zijne Lijzigheid kwam geen historische sportfragmenten presenteren. Hij kwam, zoals altijd, zichzelf presenteren. Met een vingertje in de lucht. Een beetje moralistisch ook. Eén na één passeerden ze de revue. Jempi Monseré, de jonge wereldkampioen wielrennen die in 1971 tijdens een kermiskoers onder een auto terechtkwam (Camps: 'Ik denk dat tromgeroffel nooit zo nauw verbonden is geweest met de dood als bij zijn begrafenis'). Mohammed Ali, die in 1974 in Kinshasa George Foreman nog dol danste, maar op de Olympische Spelen van Atlanta bevend van de Parkinson het olympisch vuur ontstak ('Een man geordend in zijn organen'). Eusebio, die voor Portugal topschutter werd op de Wereldbeker voetbal van 1966, maar vandaag het gras afrijdt bij zijn oude club, Benfica Lissabon. Zo, dat ging er vlot in. Maar toen ging Camps erover. Hij troonde de kijker mee naar de Tour van 1971, het gezegende jaar waarin Luis Ocaña de gele trui van Merckx aanviel en daar nog in slaagde ook. Tot hij een haarspeldbocht miste en de Kannibaal fluitend richting Champs Elysées kon peddelen. Camps rilde van genot bij zoveel tragiek. 'Die sponsor, die naam Bic, weet je wel? Dat armoedige Bic. Merckx had tenminste Molteni. Bic, daar moest-ie mee rijden. Dat was eigenlijk al tweede garnituur. Ook dat vallen: wat een onbenoembare wreedheid is het niet als je in de gele trui rijdt en dan ga je tegen de vlakte. Aangereden door schlemielen als Agostinho en Zoetemelk, die eigenlijk niet in het peloton thuishoorden. Die tragiek heeft zich in zijn leven doorgezet'. Speciaal voor Camps' tragische discours had Ocaña namelijk zelfmoord gepleegd. Kijk, dat vinden wij nu driestuiversentiment. Ingestudeerde wolligheid over de onmacht van goeden die beseffen dat ze niet groots zijn en er toch voor gaan. Valselijk kiezen voor de loser, die een metafoor moet zijn voor de nietigheid van de observator. Passie verkopen en een opblaaspop aanbieden. Maar net toen onze duim boven de afstandsbediening hing, kwam hét shot van deze Niet te wissen: eerst beelden van zijn laatste interview met de doodzieke voetbaltrainer Ernst Happel, en dan een close-up van Camps met bloeddoorlopen ogen, tranen balancerend op de rand van zijn oogleden. 'Mijn God, hij meent het. Die mens meent het', dachten we. En in een haarspeldbocht diep vanbinnen ging de Luis Ocaña in ons stevig in de remmen. De wind deed de klep van zijn Bic-petje rechtop slaan. Bart Cornand