'Een goed interview begint met belangstelling voor de geïnterviewde', zei Siegfried Bracke tegen Ben Crabbé in Zomer 2007. Alles wat hij daar eventueel nog aan wilde toevoegen - dat luisteren een andere, onderschatte eigenschap van de interviewer moet zijn bijvoorbeeld - ging verloren in de volgende vraag die Crabbé hem, niet gehinderd door veel belangstelling, stelde. 'Siegfried, jouw specifieke stijl: heb je die op een bepaald moment uitgevonden?' Siegfried neeg deemoedig het hoofd, zakte wat verder onderuit in de sofa en sprak: 'Je gaat het niet geloven, Ben, maar ik ben zo.'
...

'Een goed interview begint met belangstelling voor de geïnterviewde', zei Siegfried Bracke tegen Ben Crabbé in Zomer 2007. Alles wat hij daar eventueel nog aan wilde toevoegen - dat luisteren een andere, onderschatte eigenschap van de interviewer moet zijn bijvoorbeeld - ging verloren in de volgende vraag die Crabbé hem, niet gehinderd door veel belangstelling, stelde. 'Siegfried, jouw specifieke stijl: heb je die op een bepaald moment uitgevonden?' Siegfried neeg deemoedig het hoofd, zakte wat verder onderuit in de sofa en sprak: 'Je gaat het niet geloven, Ben, maar ik ben zo.' Zomer 2007 was nauwelijks drie dagen ver en daar was al het tweede hoogtepunt. In de eerste aflevering was Herman - Marcske - Verbruggen er immers in geslaagd zowaar het succes van F.C. De Kampioenen te verklaren. Een kwestie die minstens even onbegrijpelijk is als het mysterie van het leven, loste hij op met een simpele vergelijking. F.C. De Kampioenen is als Droogkuis Rita in zijn dorp: ook zij heeft een reden van bestaan. Een nanoseconde zat Ben met de mond vol tanden, iets wat hem niet vaak overkomt. Want als Crabbé een talkshow leidt, is de stilte zijn grootste vijand. Om ieder dood moment te vermijden, pikt hij vlotjes in op elk antwoord dat een gast hem geeft, zonder zich te bekreunen over de relevantie van zijn woordenstroom. Indien nodig stelt hij niet alleen de vragen, maar beantwoordt hij ze ook zelf. 'Ik kan je vragen wat je allemaal gaat doen', zei hij tegen Gabriel Rios. 'Je gaat veel optreden, je gaat doorbreken en je gaat scoren.' Daarmee was de kous af en Rios mocht een liedje zingen. Als mensen zwijgen, kunnen vijftig minuten lang duren. Maar als ze praten ook. Zeker als er met al die woorden bitter weinig gezegd wordt. Er bestaan geen domme vragen, hoor je wel eens beweren, maar dat is even grote onzin als zeggen dat de kiezer altijd gelijk heeft. Informeren naar de echte naam van een gast als bokskampioen Sugar Jackson, is een domme vraag. Als interviewer hoor je te weten dat er 'Osei Bonsu Jackson' op zijn paspoort staat. Ook kijken naar een herkauwende koe is boeiender dan Marijn Devalck en Danni Heylen horen vertellen wat hun favoriete aflevering van De Kampioenen is. Niet dat Crabbé zo'n lamentabel interviewer is. Hij doet zijn best om de modderstroom van gemeenplaatsen die zijn gasten uitstorten in te dammen, maar het haalt weinig uit. Op een zeldzaam moment na, wanneer de onstelpbaar naar buiten gulpende opgewarmde lulkoek zelfs hém te veel wordt, en hem naar de zware middelen doet grijpen. Zoals tijdens het exposé van Mieke Mievis over de lichaamstaal. Ze had net de voetbeweging van Bracke vergeleken met die van een wedstrijdduif en wilde aan de dissectie van zijn hoofdbeweging beginnen, toen Crabbé haar weinig subtiel een halt toeriep. Of dat een exacte wetenschap was, die zij beoefende? Mievis trok haar rokje recht, kruiste haar armen voor haar borst en antwoordde dat 'vele pyschiaters dat bestudeerd hadden'. Vele psychiaters hebben ook vele zotten bestudeerd, maar of dat hun vakgebied exact wetenschappelijk maakt? De zomer is nooit een boeiend televisieseizoen geweest en Zomer 2007 is duidelijk niet van plan om daar verandering in te brengen. Door Tine Hens