'Ik ben rond die tijd optochten beginnen te organiseren, als een vorm van performance art', zo verklaart Lindsay de lange stilte na het ondertussen tien jaar oude album Salt. 'Samen met kunstenaar Matthew Barney 'ontwierp' ik in Brazilië, in Bahia meer bepaald, een carnavalsstoet met allegorisch geïnspireerde choreografieën, veel percussie én een geavanceerd geluidssysteem. Voor ik het wist, werd ik voor soortgelijke parades gevraagd in Berlijn, Parijs, New York en Hongkong. Ik bedacht er zelfs een tijdens de biënnale van Venetië. Tussendoor gaf ik, voor het eerst in mijn leven, een aantal soloconcerten.'
...

'Ik ben rond die tijd optochten beginnen te organiseren, als een vorm van performance art', zo verklaart Lindsay de lange stilte na het ondertussen tien jaar oude album Salt. 'Samen met kunstenaar Matthew Barney 'ontwierp' ik in Brazilië, in Bahia meer bepaald, een carnavalsstoet met allegorisch geïnspireerde choreografieën, veel percussie én een geavanceerd geluidssysteem. Voor ik het wist, werd ik voor soortgelijke parades gevraagd in Berlijn, Parijs, New York en Hongkong. Ik bedacht er zelfs een tijdens de biënnale van Venetië. Tussendoor gaf ik, voor het eerst in mijn leven, een aantal soloconcerten.' De neerslag van die concerten is te horen op de tweede cd van de recente verzamelaar Encyclopedia of Arto: rauwe ongepolijste liveopnamen waarop Lindsays krassende gitaarspel steevast als stoorzender. Niet toevallig legde de gebrilde intellectueel met het radicale noisetrio DNA in de late seventies het fundament waarop Sonic Youth, Shellac en John Zorns Naked City later gretig zouden voortbouwen. Lindsay speelde ook nog fake-jazz met The Lounge Lizards, avant-funk met The Golden Palominos en zou later, met Ambitious Lovers en onder zijn eigen naam, aan de slag gaan met zijn Latijns-Amerikaanse roots - New Yorker Lindsay groeide op in Brazilië. Dat laatste blijkt ook uit de opvallend smaakvolle en toegankelijke eerste cd van zijn Encyclopedia, met tracks uit zijn solowerk uit de periode 1996-2004: met zorg geproducete sambaballads die af en toe worden overwoekerd door illbient, drum-'n-bass en andere futuristische electronica. 'En met het oog op mijn volgende cd heb ik nu ook weer muzikanten bij elkaar gezocht.' ARTO LINDSAY: Het is vooral een manier om weer een conversatie op te starten. Met het publiek, maar ook met mezelf. Heel wat mensen zullen deze collectie wellicht als een soort zelfportret beschouwen, maar zo eenvoudig is het niet. Al is de man die in het foto-essay op de hoes de hoofdrol speelt wél mijn vader. Je ziet hem van een dak springen en bewegingloos in het gras liggen. Het lijkt wel een geënsceneerde zelfmoord. 'Vallen' is een geweldige metafoor. Je kunt er heel veel kanten mee uit. LINDSAY: Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. De onderlinge gelijkenissen boeien me evenveel als de verschillen - wat verklaart waarom sommige songs er in twee versies op voorkomen. Ik onderzoek nog altijd graag de verhouding tussen klank en ruimte. Zo is de live-cd opgenomen in een afgedankte elektriciteitscentrale in Berlijn, waar nu een disco is gehuisvest. Voor de studiocompilatie koos ik uit al mijn solo-cd's de beste twee tracks. Die presenteerde ik in een volgorde die, naar ik hoopte, een coherent werkstuk zou opleveren. Zodra je een reeks nummers na elkaar zet, vertellen ze vanzelf al een verhaal. LINDSAY: Ik hou van allebei. Toen ik in de late seventies met DNA begon, was ik verzot op Dr Buzzard's Original Savannah Band, een discogroep beïnvloed door swing en bigbandmuziek. Maar omdat we vanuit New York opereerden, associeerde iedereen ons toen met 'de gevaren van de grootstad'. Terwijl noise voor mij niet alleen agressief, maar ook extatisch kan zijn. LINDSAY: Dat was destijds een weloverwogen beslissing, gitaar spelen zonder akkoorden te leren. Mijn spel steunde louter op ritme, volume en alle feedback die je met een elektrische gitaar en een versterker voort kunt brengen. Ik had geen flauw benul van maatsoorten of opbouw van een melodie, maar was wel vaag vertrouwd met de freejazztraditie. Ik ging ervan uit dat je voor dat soort muziek óók een gitaar kon gebruiken. LINDSAY: Toch niet. Ik zocht naar een primitieve vorm die speels en direct zou overkomen, maar koos wél de structuren waarbinnen ik wilde opereren. Die waren afgeleid uit taalpatronen, wiskunde of beeldende kunst, en dus non-muzikaal. Ik was ook gefascineerd door de verhouding tussen beeldhouwkunst en muziek, het sculpturale aspect van geluid. De nummers van DNA waren zo beknopt, omdat een idee volgens mij zijn impact verliest zodra het te lang wordt uitgesponnen. DNA lokte wél extreme reacties uit: we stonden voortdurend onder druk van onze omgeving om ons werk een conven- tioneler jasje aan te meten. Men verweet ons dat we maar wat aanmodderden, terwijl alles tot in de puntjes was ingeoefend. Achter iedere song ging een haast meetkundige precisie schuil. LINDSAY: Frevo, maracatu, afoxé, cambará, maar ook samba en bossanova: ik heb het allemaal opgezogen als een spons. Ritme is de sleutel tot alles wat ik doe. Soms is het goed de luisteraar eraan te herinneren waarom hij benen en heupen heeft. LINDSAY: Absoluut. Wat mij bezighield, was hoe je als kunstenaar rechtstreeks kunt ingrijpen op het bewustzijn van het publiek. Wie in Marokko een huis bouwt, nodigt muzikanten uit om de boze geesten te verjagen. En in het candomblé-ritueel wordt bezetenheid uitgelokt door muzikale technieken: plots tegen het ritme ingaan of onverwachts overschakelen van zacht naar luid. Ten tijde van DNA was ik geobsedeerd door twee platen: één met gezangen van Tibetaanse monniken en één met muziek van de Yanomani's, een indianenstam uit het Amazonegebied. Die laatste documenteerde een ritueel waar zoveel drugs bij werden gebruikt dat de deelnemers er misselijk van werden. Met veel indringend geroep en geschreeuw. Religie is niet iets dat in een parallel universum bestaat, hé. Ze maakt deel uit van het dagelijkse leven. Zelf ben ik niet gelovig, maar ik ben wel vatbaar voor wat men mystieke ervaringen noemt. Alleen hoeven die niet per se door een hogere macht te worden veroorzaakt. LINDSAY: Onze muziek was te nemen of te laten, ja. James Chance en Lydia Lunch maakten er een gewoonte van hun publiek te jennen en te beledigen, maar dat rocksterrengedoe heb ik altijd als beperkend ervaren. Mij leek het interessanter op het podium een bepaalde houding aan te nemen en die in de loop van een concert te ondergraven of tegen te spreken. Onze optredens neigden naar performancekunst en waren minstens even schatplichtig aan (kunstenaar en landschapsarchitect, nvdr.) Vito Acconci als aan Jimi Hendrix. Van de eerste leerden we ons ergens compleet in onder te dompelen en er tegelijk afstand van te nemen. Wie mensen uit zichzelf wil doen treden, moet ze ook dichter bij hun kern zien te brengen, niet? LINDSAY: Neen. Ik besef natuurlijk dat die artiesten veel platen verkopen en probeer altijd het beste in hen naar boven te halen. Verder geloof ik dat het voor iedere muzikant gezond is af en toe eens een ander petje op te zetten: het dwingt je op een andere manier over muziek na te denken. Van zelfvoldaanheid is sowieso nog nooit iemand beter geworden. ARTO LINDSAY BAND Op 8/11 in Het Depot, Leuven, hetdepot.be. Encyclopedia of Arto is uit bij Ponderosa.DOOR DIRK STEENHAUT - FOTO PIET GOETHALSArto Lindsay 'RITME IS DE SLEUTEL TOT ALLES WAT IK DOE. SOMS IS HET GOED DE LUISTERAAR ERAAN TE HERINNEREN WAAROM HIJ BENEN EN HEUPEN HEEFT.'