Jia Zhang-ke met Tao Zhao, Sanming Han, Hong Wei Wang
...

Jia Zhang-ke met Tao Zhao, Sanming Han, Hong Wei Wang Viersterrenquoteringen komen in deze kolommen zo zelden voor - het is hier Dag Allemaal niet - dat ze wel eens verkeerde verwachtingspatronen creëren. Daarom deze waarschuwing voor wie straks Still Life gaat bekijken: verwacht geen overdonderende massascènes, blitse cameracapriolen of sierlijk door de lucht tollende dolkvechters. Maar wat dit in Venetië met een Gouden Leeuw bekroonde sociodrama ontbeert aan spektakelwaarde wordt ruimschoots gecompenseerd door indringende en inventieve beelden en rake observaties. Met een beetje goede wil kan Jia Zhang-ke's eerste digitaal gedraaide film zelfs worden beschouwd als een impressionistisch beeldendicht: één dat in een treurige maatschappelijke realiteit is geworteld, de poëtische logica laat primeren op de verhaaltechnische en op volwassen doch ongedwongen manier de vinger aan de pols houdt van het hedendaagse China - dat met alsmaar grotere sprongen voorwaarts richting kapitalistische heilstaat evolueert. Een van die revolutionaire sprongen - zij het bepaald niet in marxistische zin - is het optrekken van de Drieklovendam, een megaproject dat China de grootste waterkrachtcentrale ter wereld zou moeten opleveren, maar ondertussen ook al anderhalf miljoen mensen uit hun woning verdreef en de tweeduizend jaar oude stad Fengjie volledig blank zette. Het is daar dat Jia zijn twee protagonisten - respectievelijk symbolen voor de getroffen onderklasse en de nouveaux riches - tussen de ondergelopen ruïnes en inderhaast opgetrokken woonkazernes laat ronddolen: de zwijgzame mijnwerker Han, die op zoek is naar zijn ex-vrouw, en de verpleegster Shen, die pas na dik veertig minuten in de film opduikt. Veel hebben ze niet met elkaar te maken, iets waarmee Jia subtiel uithaalt naar de nieuwe klassenmaatschapij en de sociale ontwrichting. Dat doet hij ook door zijn film in te delen in vier hoofdstukken waarin telkens een consumptieartikel centraal staat - sigaretten, alcohol, thee en suikergoed - dat Grote Roerganger Mao indertijd gratis aan het volk liet uitdelen, maar dat ondertussen merknamen draagt en te duur is geworden voor de armste Chinezen. Hoewel treurnis, melancholie en documentair realisme de boventoon voeren, voegt Jia er ook enkele dichterlijke en humoristische toetsen aan toe. Zo wordt Han herenigd met zijn vrouw en de mogelijkheid op een betere toekomst gegund, terwijl elders - geen grap - een flatgebouw plots richting maan vertrekt en een evenwichtskunstenaar op een koord tussen twee appartementsblokken danst. Kwestie van de wankele positie van de modale Chinees te illustreren, de surreële werkelijkheid extra in te verf te zetten en nogmaals te accentueren dat dit bescheiden meesterwerkje zich door geen enkele conventie of censor laat indammen. Dave Mestdach