Het heeft iets om vanuit een vissershuis in een Ests natuurreservaat aan de Finse Baai iets te schrijven over stemmen die indruk op me maken. In mijn hoedanigheid van writer in residence hoor ik momenteel alleen vogels, wind door dennennaalden en de zee. En soms een oude Est, die op Captain Iglo lijkt en tegen niemand praat in de kamer onder mij. Misschien draagt hij gedichten voor, misschien antwoordt hij de stemmen in zijn hoofd. Ik acht het niet onmogelijk dat die ook mij binnenkort zullen beginnen te ondervragen.
...

Het heeft iets om vanuit een vissershuis in een Ests natuurreservaat aan de Finse Baai iets te schrijven over stemmen die indruk op me maken. In mijn hoedanigheid van writer in residence hoor ik momenteel alleen vogels, wind door dennennaalden en de zee. En soms een oude Est, die op Captain Iglo lijkt en tegen niemand praat in de kamer onder mij. Misschien draagt hij gedichten voor, misschien antwoordt hij de stemmen in zijn hoofd. Ik acht het niet onmogelijk dat die ook mij binnenkort zullen beginnen te ondervragen. Nu overdrijf ik. Al is een passerende wagen hier een grote gebeurtenis, zo alleen ben ik niet. Mijn huisgenoten (anderen dan de toch wel vrij onzichtbare Captain Iglo) nemen me nu en dan mee op een uitstap. Toen zij gisteren naar een voor mij onverstaanbare theatervoorstelling in een naburige stad reden, en ik in het huis bleef om nog wat te werken, wist ik mij echter voor het eerst volledig verlaten tussen woud en water. Zelfs de vogels sliepen stil. De diepe mannenstemmen die halt hielden onder mijn raam - hun eigenaars werden door het duister weggewist - maakten mij voor het eerst sinds ik hier mijn intrek nam een tikkeltje angstig. Dat verderop een hond venijnig begon te blaffen, droeg daartoe bij. Aangezien de mannenstemmen Ests spraken, nam ik mij vrijwel onmiddellijk voor dat ik ze niet moest opvatten als een aan mijzelf ontsproten uiting van opkomende krankzinnigheid. Ook de persoonlijkheden die vanuit mijn onderbewustzijn babbelend naar de voorgrond zouden kunnen treden, zijn vast geen polyglotten. Dieven bleken de pratenden na een poosje ook niet te zijn. Er was geen reden tot paniek. Stemmen zijn hier enkel wat ongewoon. Ik moet toegeven dat ik enigszins geschokt was toen ik ontdekte dat er geen stereo-installatie in de schrijversresidentie aanwezig was. De luidsprekers in mijn laptop doen muziek weinig eer aan, dus houd ik het hier doorgaans bij wind en vogels. Maar dan wel onstuimige wind. En massa's vogels. Mijn favoriete stemmen beluister ik tijdens het rijden in mijn huurwagen, die wel op auditief genot is ingesteld. Een dubbele cd waarmee ik al meermaals over de Estse wegen scheurde, is Ella and Duke Live at the Côte d'Azur. Ik heb die sublieme Verve Record al eerder aan Radio1 opgedrongen, en ik kan me niet voorstellen dat hij ooit mijn persoonlijke top 10 zal verlaten. Een viertal jaar geleden beschreef ik in een column voor het inmiddels ter ziele gegane Deng de grootste troost die ik mij kon inbeelden: 'Dan verlang ik hevig naar Ella Fitzgerald. Ik wil dat ze in een galajurk, ter grootte van een vierpersoons iglotent, charmant en moederlijk op mij af loopt. Dat ze mij met haar begrijpende hertenogen aankijkt, het spleetje tussen haar tanden bloot lacht, mij tegen haar malse schouder aandrukt en mijn haar streelt. 'Ooowww baby', zou ze grommen. 'Ooowww Ella', zou ik antwoorden en ik zou met volle overtuiging haar omvangrijke middel omklemmen.' Dat ik mijn oude zelf hier citeer komt omdat ik de voorbije jaren qua ultiem troostverlangen geen spat ben veranderd. Maar al mag mijn liefde voor Ella Fitzgerald dan extramuzikale vormen hebben aangenomen, ze vindt haar oorsprong bij haar magistrale stem. Het woord 'magistraal' doet al vermoeden dat het mij moeilijk valt niet in overtreffende trappen te verstrikken bij het beschrijven van deze meest sublieme, krachtige, ontzag afdwingende stem. Ik laat me dus maar even gaan en voeg er zonder scrupules aan toe dat Plato's ideeënleer in duigen valt wanneer wij Fitzgeralds stem in rekenschap brengen. Ja, de grot waarin wij leven en sterven bevat doorgaans enkel schaduwen, maar heel af en toe manifesteert de perfectie er zich onweerlegbaar in ons midden; dé stem is die van Ella Fitzgerald. Ella is altijd goed. Tijdens haar optreden aan de Côte d'Azur, geflankeerd door Duke Ellington, had ze er bovendien reuze zin in. Ik raad u, lezer, met enige dwang aan deze cd nu aan te schaffen. Mocht u enige reserves koesteren voor jazz, kan ik u verzekeren dat ik ook geen fanatieke kenner noch liefhebber ben. Het geduld en de muzikale achtergrondkennis ontbreken mij om de zeer vrije variaties op het genre ten volle te appreciëren. Meer zelfs: het oeverloze scabscabscabab en oewieoewieoe van sommige al dan niet zelfverklaarde jazzdiva's komt me vaak eerder lachwekkend over. Maar Ella is altijd goed. Het eerste nummer op de hierboven genoemde cd is een wonderbaarlijke uitvoering van Mack the Knife. Ik ben auteur en hou van goede teksten, ook songteksten. Bij Mack the Knife is het echter onmiddellijk duidelijk dat Fitzgeralds stem zich boven de woorden verheft en zijn plaats als leidend instrument met verve opeist. Nee, zij is hier niet om het over Mack de seriemoordenaar te hebben, zij is hier om het over alles te hebben. Zij is hier om te zingen. Al snel wijkt ze dan ook grommend en grijnzend van die tekst af en zet ze het op een uitbundig improviseren: 'And Louis Armstrong / made a record / ooooooh made a record of this song / and now Ella! / Ella and her fellas! / make a rec a rec such a record of the same old song / oooooh it's just it's just a song yeah / it's just it's just a swung yeah which one ooof which one will knock you down / for you peoeoeoeople here, here! at the jazz festival! we're gonna sing! we're gonna swing! we're gonna add some more for you / papidoowadowadopeepoooo dowobidowiwabadowa...' Enfin, niet alles valt te citeren, je moet dat horen. 'Leef!' is een door gestalttherapeuten vaak misbruikte imperatief, maar krijgt via de stembuigingen van deze grootse dame een ware, wijze, onontkoombare betekenis. Wanneer mijn humeur zich aan een afgrond bevindt, vertrouw ik op Ella Fitzgerald om me blij te maken. Ze faalt nooit. Maar het humeur wil zich natuurlijk ook wel eens wentelen in zoet verdriet, ironische gelaagdheid en duistere drange-tjes. Het grootste deel van mijn muziekcollectie is daarop gericht, moet ik toegeven. Morrissey is daarbij een terugkerende bekende, maar natuurlijk zal ik het in deze categorie weer voornamelijk over Stuart Staples hebben, de stem achter de onlangs herenigde Britse band Tindersticks. Het is ondertussen al meer dan tien jaar geleden dat de eerste noten van A Night In mijn gehoororgaan voor het eerst kietelden. Ik staakte mijn activiteiten om met diep ontzag naar dit overweldigende instrumentale samenspel te luisteren. Toen de stem van Staples zich tussen de klankpracht weefde, kwam ik tot de ontdekking dat er een timbre bestond dat in staat is zich onmiddellijk via het hart naar de onderbuik te boren. Wat een band, wat een stem, wat een man! Ik gebruikte een stukje tekst uit dat eerste nummer dat ik van hen hoorde als motto voor mijn debuut: And I'll show you who I've been running from. It's the feel-ing of waking and it's gone. Sindsdien heb ik Tindersticks dertien keer live aan het werk gezien. Tijdens de ochtenden die op die optredens volgden, ontwaakte ik steeds met bewondering, die nooit verdween. Toen De Morgen mij twee jaar geleden op pad stuurde om Stuart Staples voor een optreden in Tilburg te gaan interviewen, vreesde ik dat ik uit ultieme zenuwachtigheid schreeuwend weg zou rennen of hem in de arm zou bijten. Ook het feit dat de man de neiging heeft te mompelen, baarde me zorgen. Wat als ik hem niet verstond? Dat bleek geen probleem te zijn. 'Are you waiting for me?' waren zijn eerste tot mij gerichte gesproken woorden. Dat ik hier twee jaar na datum nog zo pathetisch over kan schrijven, bewijst dat ik wel degelijk op hem wachtte, en dat misschien maar mijn hele verdere leven moet blijven doen. Hoewel, toen ik een week later op De Nachten moest optreden, en door Staples op de schouder werd getikt tijdens het typen van een sms, schrok ik mij rot. 'How are you doing?' vroeg de stem, waarmee het dus mogelijk is een praatje te slaan. Van het interview herinner ik me vooral dat Stuart Staples het tweede Tindersticksalbum als hun beste beschouwde - een mening die ik deel - en dat hij zijn knappe teksten nooit schrijvend, maar altijd zingend verzint. Toen ik zijn gezang prees, verzekerde hij me lachend dat hij er zelf niet zo blij mee is want dat zijn stem vaak opbotst tegen beperkingen. Wat ik op mijn beurt weglachte. Het was een amusant gesprek, met een man die zichzelf geen melancholicus wilde noemen, maar een 'mens van extremen'. Het doet me plezier zowel Ella Fitzgerald als Stuart Staples in de longlist van de 'Fab 50' terug te vinden. Jammer dat Suzanne Vega en Aimee Mann ontbreken. Ook deze twee dames vergezellen mij al jaren. Ik geef toe dat zij misschien het beste kunnen worden geapprecieerd wanneer hun werk als een mengvorm tussen poëzie en muziek wordt opgevat. Hun stemmen op zich zijn mooi, maar misschien niet zo avontuurlijk. Toch valt hun gevoel voor woorden en hun ritme volgens mij toch weer meesterlijk te noemen. Ook geen spoor van de getormenteerde, uiterst intense stem van PJ Harvey overigens. Onvergeeflijk echter is dat er vier mannen genaamd Frank in de longlist staan, en dat geen van hen de Frank der Franken is: Zappa! Weinig artiesten hebben zoveel met hun stem en met die van hun bandleden gedaan als Frank Zappa. De praatstukken, maffe geluidjes, bruusk wisselende ritmes, lachjes, symfonische uitbarstingen, thema's en verstoorde samples vormen noodzakelijke onderdelen van het geheel. Zappa herhaalde vaak dat er niets nieuws kan ontstaan als er niet wordt afgeweken van de bestaande normen. Dat houdt ook in dat bestaande muziek meestal in een ironische context wordt geïmiteerd. Met zijn stem parodieerde Zappa verschillende zangstijlen, en dat deed hij zelfs heel goed. Van een met een hoog hardrockgehalte gezongen 'Girl, you thought he was a man, but he was a muffin!' tot de versnelde, smurfachtige stemmen in Let's make the water turn black en de sufgeblowde hippiestemmen in Who needs the peace corps? Er zijn tientallen voorbeelden waarmee we Zappa's aparte gebruik van stemmen kunnen illustreren. Hij beschouwde zichzelf in de eerste plaats als een componist, die de scheppende macht had over een stuk, in tegenstelling tot de muzikanten, die slechts een uitvoerende functie hadden, behalve op de korte momenten waarop zij improviseerden. Dat daaruit voortvloeide dat Zappa niet altijd de makkelijkste man was om mee samen te werken, hoeft niet te verbazen, al geven de groepsleden tijdens optredens (en tot mijn grote spijt weet ik dit enkel door het zien van opnames van optredens) wel de indruk enorm veel lol te trappen. Dat humor - zowel in de teksten, het stemgebruik als in de rest van de muziek - van bij het begin een prominente plaats heeft gekregen in Zappa's werk, heeft daar wellicht veel mee te maken. Hij zou hoog in deze top 50 moeten prijken. Wie wel wordt vernoemd, is Barry White. Wel, dat mag. Ik vind Barry op een wat verdorven manier ook wel lekker. Maar laat mij u toch even op de hoogte brengen over de inhoud van een piepklein krantenartikel dat ik jaren geleden las, maar dat zich onmogelijk liet vergeten. Ergens ver hier vandaan, in een donkerblauwe oceaan, leefde een vreedzame haaiengemeenschap. Een groep wetenschappers die de dieren waarschijnlijk al net iets te lang bestudeerde, besloot te testen welk effect verschillende muziekgenres op hun gerugvinde vrienden zouden teweegbrengen. Het haaiengehoor bleek totaal onverschillige impulsen naar het haaienbrein te zenden bij elke nieuwe deun. Tot Barry White over de rustige zeebodem weergalmde. De agressie die hij bij de beesten teweegbracht, was nauwelijks te overzien. Denk daar maar eens over na, terwijl ik nog wat naar de vogels luister. Annelies Verbeke