Sergio Leone, Sergio Corbucci en Enzo Barboni zijn maar enkele maestro's die de Italiaanse spaghettiwestern in de sixties en seventies majestueus boven hun B-filmstatus wisten te verheffen. Laat je vooral niet misleiden door de aanvankelijk pejoratief bedoelde term. Die mag dan smalend verwijzen naar het vermeende beroerde niveau van deze snel en goedkoop gemaakte varianten op de Amerikaanse western, tussen de meer dan duizend titels die van 1960 tot 1975 werden geproduceerd, steken wel degelijk meerdere in bloed, zweet en lyriek badende meesterwerken.
...

Sergio Leone, Sergio Corbucci en Enzo Barboni zijn maar enkele maestro's die de Italiaanse spaghettiwestern in de sixties en seventies majestueus boven hun B-filmstatus wisten te verheffen. Laat je vooral niet misleiden door de aanvankelijk pejoratief bedoelde term. Die mag dan smalend verwijzen naar het vermeende beroerde niveau van deze snel en goedkoop gemaakte varianten op de Amerikaanse western, tussen de meer dan duizend titels die van 1960 tot 1975 werden geproduceerd, steken wel degelijk meerdere in bloed, zweet en lyriek badende meesterwerken. Het subgenre brak in 1965 definitief door met Sergio Leone's A Fistful of Dollars, een bloedballade met de jonge Clint Eastwood. De prent kreeg een spotzieke score van Ennio Morricone mee, die meteen de robuuste iconografie en archetypische thematiek vastprikte. Zo gaat het in een spaghettiwestern vaak om de persoonlijke (wraak)missie van een zwijgzame en moreel dubbelzinnige gunslinger. In de regel neemt die het op tegen bandietenbendes die óf nog cynischer zijn, óf nog sneller naar hun Colt grijpen. Bij voorkeur vindt dit alles plaats in een in breedbeeld geborsteld dor woestijnlandschap, waar de loden zon sinistere schaduwen werpt en kraaien op en aan vliegen op het nabijgelegen kerkhof. Veel van die films spelen zich af langs de grens tussen Mexico en de VS tegen een (pseudo)historische achtergrond. Toch zijn de meeste spaghettiwesterns op Europese bodem gedraaid. Favoriete oorden voor Trans-Alpijnse outlaws en sheriffs waren de befaamde Cinecittà Studios in de buurt van Rome, Sardinië, de Abruzzen én het Spaanse Almeria. In het Sierra Nevadagebergte en de Tabernaswoestijn werden zelfs speciaal enkele westernsteden nagebouwd. Op een kogel werd niet gekeken, ook niet als die werd gebruikt om een heilig huisje omver te knallen. Nogal wat Italiaanse westerns bulken van de rooms-katholieke en Bijbelse thematiek, maar dan het liefst ongewijd geserveerd. Bovendien zochten verschillende genreauteurs aansluiting bij de dissidente tijdgeest van de late sixties. Schrik dus niet als je tussen de hypergestileerde bloedballetten plots een anti-autoritaire boodschap ontwaart. Of wanneer je in de zogeheten Zapatawesterns - het subgenre dat zich tegen de Mexicaanse burgeroorlog afspeelt - een nauwelijks verholen kritiek op het Amerikaanse imperialisme leest. Het ging er echter niet altijd zo ernstig toe: het slapstickduo Bud Spencer en Terence Hill maakte het wilde Westen onveilig in tal van erg populaire komische varianten. Helaas bleef de operateske leut niet duren. Tegen het midden van de jaren 70 leek het laconieke mondharmonicadeuntje van de spaghettiwestern definitief uitgezongen. Zo wordt Keoma uit 1976 - met genre-icoon Franco 'Django' Nero in de hoofdrol - beschouwd als het laatste hoogtepunt. Daarna volgde een langzame, maar verdiende opwaardering via het cult- en videotheekcircuit. Uiteindelijk leidde die niet enkel tot de arthouses en filmmusea, maar ook tot een leger aan filmende exploitationfans die de erfenis van het genre levend houden - denk aan Quinten Tarantino en Sam Raimi. Leken én liefhebbers kunnen dankzij Offscreen deze maand in Brussel genieten van vijftien smakelijke spaghettiklassiekers. The Good, the Bad and The Ugly (1966), deel drie uit Leone's Dollartrilogie met Eastwood als de mysterieuze huurling The Man with No Name, mocht natuurlijk niet ontbreken. En ook Django van Sergio Corbucci (1966), waarin Franco Neri als drieste desperado in de openingsscène zijn eigen doodskist voortsleurt en nadien een paar dozijn bandieten richting eeuwige jachtvelden knalt, is een aanrader. Staan verder op het menu: Tepepa (Giulio Petroni, 1968) met monstre sacré Orson Welles, And God said to Cain (Antonio Margheriti, 1969) met geniale gek Klaus Kinski én Straight to Hell (1987) van genre-aficionado en festivalgast Alex Cox, een door rockers als Joe Strummer, Shane McGowan en Courtney Love bevolkte pastiche. Haast u allen met Stetson en Colt richting Brussel! Door Dave Mestdach