Dat hij 'spellen' moet gebruiken. De buurvrouw heeft het blijkbaar al vaker gezegd. Ze wijst omhoog alsof ze in staat is onzichtbare rukwinden te detecteren. Boven de schutting - die op onverklaarbare, zeer Vlaamse wijze tot op kinhoogte reikt - lacht Isaac Kimeli zijn tanden bloot. Hij gooit een kanariegele trainingstrui over de wasdraad. 'Spellen, manneke', sputtert de buurvrouw. Het veranderlijke weer geeft haar gelijk. Amper drie seconden later ligt het vers gewassen shirt op de grond. Net niet in het slijk. De buurvrouw schudt het hoofd, als om te zeggen: zie je wel?
...

Dat hij 'spellen' moet gebruiken. De buurvrouw heeft het blijkbaar al vaker gezegd. Ze wijst omhoog alsof ze in staat is onzichtbare rukwinden te detecteren. Boven de schutting - die op onverklaarbare, zeer Vlaamse wijze tot op kinhoogte reikt - lacht Isaac Kimeli zijn tanden bloot. Hij gooit een kanariegele trainingstrui over de wasdraad. 'Spellen, manneke', sputtert de buurvrouw. Het veranderlijke weer geeft haar gelijk. Amper drie seconden later ligt het vers gewassen shirt op de grond. Net niet in het slijk. De buurvrouw schudt het hoofd, als om te zeggen: zie je wel? Eigenlijk wilde Kimeli voetballer worden toen hij op het vliegtuig stapte om zijn moeder naar dat kille land in het noorden te volgen. Tien jaar lang had zij hem van hieruit geld naar Kenia gestuurd, zodat hij in eigen land kon blijven, er school kon lopen en verderstuderen. Maar tien jaar je moeder missen is lang. Isaac droomde er bovendien van om voetballer te worden en dan zit je beter in Europa dan in Afrika. Lopen was in zijn ogen geen sport. Hij liep altijd al. Naar school. Naar huis. Naar familie. Hij liep om zich te verplaatsen. Toen hij bij een atletiekclub kwam, ontdekte hij dat men hier liep om te winnen. In Kenia was hij een loper tussen alle andere lopers. Hier was hij plots een uitzonderlijk talent. Ondertussen kan hij niet meer zonder dat lopen. Hij maalt kilometers, draaft door bossen, langs velden, door verkavelingswijken, of het nu regent, waait of zonnig is. 'Je hebt niets nodig bij atletiek', zegt hij. 'Je benen. Je hoofd. Gewoon afzien. Vechten tot op het einde.' De vijfdelige reeks Slijk toont hoe sporters worstelen, zowel met hun ambities als met het onvoorspelbare Belgische weer. Het zijn miniatuurportretten waarbij de camera inzoomt op veelzeggende details. Een zweetdruppel die langs een halsslagader kronkelt, de naaldenprik in een oorlel of Kimeli die de resten gras en aarde van tussen zijn spikes peutert. Ondertussen vertelt hij off-screen dat hij nog nooit van spikes gehoord had. Het is allemaal even esthetisch en intiem in beeld gebracht. Maar die strakke beeldvoering legt ook de zwakheid van Slijk bloot. De grens tussen oprechte emotie en artificiële authenticiteit is glibberig. Het klinkt behoorlijk ongeloofwaardig wanneer de kinesist tijdens een routineuze massage van de onderbenen van Kimeli plots mijmert over de eerste keer dat hij hem op de piste zag. 'Het was onwennig', zegt hij met de onwennigheid van een man die er een paar takes voor nodig heeft gehad om zo natuurlijk mogelijk over te komen. Maar even vaak werkt die uitgepuurde beeldvoering wel. Kimeli op het perron van het station van Halle, de twee meisjes in zwarte, donzen jekkers die bibberend het lint aan de eindmeet vasthouden, de jonge trainer Tim Moriau die 's nachts Kimeli's tijden in Excel ingeeft, Kimeli die de avond voor de wedstrijd een maaltijd in de microgolfoven opwarmt. Het zijn snapshots van de eenzaamheid van de sporter en het herleidt sport tot wat het in essentie is: het gevecht van de mens met zichzelf en met alles wat onvoorspelbaar is. Daar bestaan geen spellen voor. ***, elke maandag, 21.15, Canvas DOOR TINE HENSIN SLIJK IS DE GRENS TUSSEN OPRECHTE EMOTIE EN ARTIFICIËLE AUTHENTICITEIT NOGAL GLIBBERIG.