Martin Scorsese met Leonardo DiCaprio, Mark Ruffalo, Ben Kingsley, Emily Mortimer, Max von Sydow
...

Martin Scorsese met Leonardo DiCaprio, Mark Ruffalo, Ben Kingsley, Emily Mortimer, Max von Sydow 'Een mix van Emily Bronté en de B-films uit de jaren 50.' Met die enigmatische omschrijving deed Emily Mortimer zowat elke cinefiel geilen naar de nieuwe Scorsese, al had de Britse actrice ook net zo goed Orson Welles' The Trial, Sam Fullers Shock Corridor, de barokke lyriek van Michael Powell en de gothic horror van Alfred Hitchcock kunnen noemen. Net als in Cape Fear schakelt Scorsese in volle expressionistische B-filmmodus. Hij doet dat echter met zoveel cinematografische wellust dat je amper de tijd krijgt om bedenkingen te formuleren bij het diffuse middenstuk of de nogal voorspelbare twist op het eind. Het verhaal - naar de roman van misdaadauteur du jour Dennis 'Mystic River' Lehane - speelt zich af in 1954 en gaat over US Marshal Teddy Daniels (Leonardo DiCaprio) die met zijn collega Chuck (Mark Ruffalo) naar het Ashcliffe Hospital trekt, een instelling voor geesteszieke delinquenten op een eiland voor de kust van Boston. Daar blijkt kindermoordenares Rachel Solando (Emily Mortimer) spoorloos verdwenen, ook al is ontsnappen quasi onmogelijk en heeft niemand van de bewakers of geïnterneerden iets verdachts opgemerkt. Zou het kunnen dat hoofdpsychiater doctor Crowley (Ben Kingsley) een luguber geheim te verbergen heeft? En hoe houd je er in vredesnaam je verstand bij wanneer iedereen tegen jou lijkt samen te spannen? Bijbelse stormen, tochtige kerkers, mistige vuurtorens en huilende psychoten: als een cinefiele alchemist trekt Scorsese alle gotische registers open. De man laat zijn viriele camera daarbij in alle kieren en spelonken loeren. Bovendien gooit hij er zelfs macabere Holocaustflashbacks tegenaan, terwijl hij auditief de dreiging opvoert met de modernistische klanken van Penderecki, Ligeti, Feldman, Cage, Schnittke en Eno. Intussen zet zijn fetisjacteur DiCaprio misschien wel zijn meest gekwelde vertolking ooit neer, als de getraumatiseerde flik die verloren loopt in een claustrofobisch labyrint dat gaandeweg meer wegheeft van een dantesk inferno dan van een sinister gekkenhuis. Schrik dus niet wanneer je deze met arche-types bevolkte mysteriethriller ziet uitmonden in een gitzwarte mindfuck waarin Scorsese zijn stokpaardjes geweld, waanzin en obsessie eindelijk nog eens in volle galop berijdt. Ondanks zijn literaire roots en blockbusterstatus voelt Shutter Island immers een stuk persoonlijker aan dan The Aviator en The Departed - twee weliswaar uitstekend gemaakte, maar te glad gepolijste epen waarmee Scorsese vooral naar zijn verdiende Oscar leek te hengelen. Kortom: een barok en benauwend staaltje pulp fiction dat tot diep onder je cranium kruipt, alsook een diabolisch eresaluut aan Sam Fuller, Robert Aldrich, Michael Powell en andere Scorseselievelingen. Dave Mestdach