Hoewel zijn laatste film dateert uit 1981 en zijn integrale oeuvre maar dik drie uur in beslag neemt, zijn er weinig cultfilmers - sorry, Robbe - die zo'n diepe impact hebben gehad op de moderne popcultuur als Kenneth Anger. Als auteur van de infame schandaalboeken Hollywood Babylon 1 & 2 - een collectie verhalen en anekdotes uit de riolen van Tinseltown - mag Anger immers niet alleen als de peetvader van de hedendaagse roddel- en celebritycultuur worden beschouwd; met zijn bedwelmende, door popmuziek aangedreven beeldenstromen vol fetisjobjecten en occulte symbolen is Anger ook de wegbereider van de moderne videoclip; al zien we 's mans hallucinante kortfilms nog niet zo gauw in primetime op MTV passeren.
...

Hoewel zijn laatste film dateert uit 1981 en zijn integrale oeuvre maar dik drie uur in beslag neemt, zijn er weinig cultfilmers - sorry, Robbe - die zo'n diepe impact hebben gehad op de moderne popcultuur als Kenneth Anger. Als auteur van de infame schandaalboeken Hollywood Babylon 1 & 2 - een collectie verhalen en anekdotes uit de riolen van Tinseltown - mag Anger immers niet alleen als de peetvader van de hedendaagse roddel- en celebritycultuur worden beschouwd; met zijn bedwelmende, door popmuziek aangedreven beeldenstromen vol fetisjobjecten en occulte symbolen is Anger ook de wegbereider van de moderne videoclip; al zien we 's mans hallucinante kortfilms nog niet zo gauw in primetime op MTV passeren. 'Mijn films zijn magische rituelen', waarschuwt Anger. 'Ze projecteren kan spirituele krachten opwekken.' En inderdaad: wie ervoor gaat zitten - geen overbodig comfort in dit geval - mag zich opwarmen voor woordeloze, licht verontrustende maar vaak ook pervers mooie audiovisuele trips waarin Egyptische goden, nazibikers en kinky matrozen hand in hand gaan. De ongeveer vijftien kortfilms die hij in zijn zestigjarige carrière realiseerde, verzameld onder de naam The Anger Magick Lantern Cycle (1947-1981), zijn dan ook stuk voor stuk cinematografische manifestaties van het onwrikbare geloof in de ceremoniële kracht van de cinema, al ligt de grens met camp en kitsch, ondanks de gezwollen beeldspraak, nooit veraf. Probeer in de homo-erotische popfantasie Scorpio Rising (1964) bijvoorbeeld maar eens te focussen op de freudiaanse archetypes en experimentele montagetechnieken wanneer Anger een homo-motorbende plots schalks vergelijkt met Jezus en zijn apostelen. Dat Anger - né Kenneth Wilbur Anglemyer - al van in het prille begin in die schemerzone tussen grap en gruwel, kunst en kitsch, werkelijkheid en mythe opereerde, hoeft niet te verbazen. Wat verwacht je van een knul die in de jaren 30 opgroeide in de hedonistische droomfabriek van Hollywood, daar ooit nog dansschool liep met Shirley Temple en als zevenjarige uk werd gecast als de toverprins in Max Reinhardts beroemde Shakespeare-adaptatie A Midsummer Night's Dream? 'Het gloriemoment van mijn jeugd', zo noemde Anger zijn met goud, pluimen en magie omzwachtelde 'Hollywooddebuut' in tal van artikels en interviews, ook al heeft het er volgens Hollywoodhistorici inmiddels alle schijn van dat de rol indertijd niet door Anger maar door een meisje genaamd Sheila Brown werd vertolkt en de occulte iconoclast dus niet alleen zijn oeuvre maar ook een deel zijn biografie bijeen heeft gefantaseerd. Wel zeker is dat Anger al op piepjonge leeftijd zijn regiedebuut maakte. Op zijn negende om precies te zijn, toen hij filmpjes ineenknutselde met een geleende camera en restjes pellicule die hij uit de afvalbakken van de Hollywoodstudio's graaide. Van die premature, door scoutsvriendjes vertolkte huis-, tuin- en keukendrama's is echter niks meer bewaard gebleven, zodat het 15 minuten durende Fireworks uit 1947 als Angers eerste officiële opus wordt gecatalogeerd. In deze stille zwart-witfilm vertolkt Anger - écht deze keer - de rol van een dromende adolescent die zich door een groepje Amerikaanse matrozen laat verkrachten, met als climax: een patriottische penis die uitbarst in extatisch vuurwerk. Niet meteen geschikt matinee-materiaal dus. En al helemaal niet anno 1947, toen matrozen nog als onkreukbare helden van de Tweede Wereldoorlog werden gefêteerd en het begrip 'gaycinema' nog moest worden uitgevonden. Geen wonder dat de meesten die de film, ofwel in een kunstgalerie ofwel tijdens een privéscreening, te zien kregen Fireworks dan ook 'ziek en schandalig' vonden. Behalve de Franse surrealist Jean Cocteau. Die had als een van Angers persoonlijke helden en zelf maker van fantasmagorische sprookjes als Le sang d'un poète een kopie opgestuurd gekregen en de taboedoorbrekende film meteen geselecteerd voor zijn Festival du film maudit. Fireworks, zo jubelde Cocteau, kwam immers 'uit dezelfde nacht als die waaraan alle grote kunst is ontsproten'. Waarop Anger uiteindelijk ook zelf naar Parijs afzakte, er zich settelde tussen de avant-garde en in de jaren die volgden onder meer de blauw monochrome, op Vivaldi's Winter gemonteerde waterrêverie Eaux d'artifice (1953) draaide, de documentaire Thelema Abbey (1955) over de erotische fresco's van mysticus en occultist Alisteir Crowley in zijn Siciliaanse Thelema-abdij én Inauguration of the Pleasure Dome (1954, opnieuw gemonteerd in 1966), een extatische maskerade van Bijbelse en mythische figuren op de klassieke tonen van Janáceks Glagolitische Mis. Het Parijse sprookje bleef niet duren. Toen zijn zoveelste project weer eens in development hell was gesukkeld, raakte de jonge dandy stilaan in geldnood, waarop hij besloot om dan maar gauw een schandaalboek neer te pennen. Het resultaat heette Hollywood Babylon - 'a book as legendary as its subject', volgens Susan Sontag - en verscheen voor het eerst in 1959 in het Frans bij Jean-Jacques Pauvert, tevens uitgever van Markies de Sade. Onderwerp was Tinseltown als het moderne Gomorra en naast oude glamourfoto's, mugshots en stills bevatte het boek allerlei saillante, nooit gepubliceerde sensatieverhalen over sterren en starlets, van Chaplins seksuele escapades met minderjarige meisjes tot Rudolph Valentino's voorkeur voor masochistische seks. Toch zou het duren tot 1975, nadat er al twee miljoen bootlegs waren verkocht, vooraleer het boek ook officiëel in het Engels werd gepubliceerd, al sloeg het zelfs dan - temidden de Watergate- en post-Viëtnamcrisis, toen het neerhalen van Amerikaanse iconen sowieso en vogue was - in als een bescheiden clusterbom. Daarmee bleek Anger zijn tijd weer eens ver vooruit - tot spijt van alle Britneys en Lindsays van vandaag - maar toen hij in de sixties naar Californië terugkeerde, moest de cri du coeur van zijn undergroundcataloog nog volgen. Het revolutionaire Scorpio Rising (1964), introduceerde niet alleen het archetype van de gay biker (je vindt ze in The Village People, William Friedkins Cruising en darkrooms allerhande); nog voor er sprake was van Deep Throat gaf de film ook aanleiding tot een spaakmakend proces in het Amerikaanse Hooggerechtshof vanwege enkele expliciete naaktscènes - een proces dat Anger overigens won. Nog belangrijker was echter het feit dat Scorpio Rising - een sarcastische kijk op de Amerikaanse popiconografie, met haar strips, Brando's en brylcreamkapsels - wellicht de eerste film was die zich bediende van een popsoundtrack, ruim een decennium voor George Lucas' American Graffiti en Martin Scorsese's Mean Streets. 'Scorsese heeft me tenminste vernoemd als inspiratiebron', merkte Anger, die onder meer Elvis' Devil in Disguise en Blue Velvet van Bobby Vinton op de geluidsband zette, daarover later op. 'Anderen hebben mijn beeldensequenties gewoon duizenden keren gekopieerd op MTV. In plaats van mijn ideeën te jatten, hadden ze me ook gewoon kunnen inhuren.' Over een gebrek aan erkenning had Anger, die de alternatieve jeugdculturen opzoog als een spons en ondertussen naar de hippiemetropolen San Franscisco en Londen was verhuisd, eind jaren 60 nochtans niks te klagen. Rolling Stone Mick Jagger, indertijd zelf druk met esoterische hocuspocus in de weer, beschouwde hem als een absolute cultheld (hij zou de Stones inspireren tot Sympathy for the Devil) en knutselde in 1969 met zijn Moogsynthesizer dan ook de experimentele soundtrack ineen - één noot die voortdurend wordt vervormd - van Angers 'ultieme hallucinatie' Invocation of My Demon Brother. Daarmee had Anger, een fervent discipel van 'the wickedest man on earth', occultist Alisteir Crowley (1875-1947), een lsd-tripachtige beeldenreeks ontworpen die met zijn esoterische symbolen en subliminale boodschappen tot diep in de psyche kon boren - al hielden sceptici het toch vooral op barstende koppijn. Hoewel Anger het ook zelf zijn 'meest intimiderende film' vond, was het beeldenmateriaal waarmee Invocation was bijeengesprokkeld nochtans oorspronkelijk bedoeld voor de diabolische krachttoer Lucifer Rising, een film waaraan hij in 1969 was begonnen maar die uiteindelijk pas in 1981 zou worden voltooid. Daarin draaft Jaggers ex Marianne Faithful op als Lilith, de kabbalistische wraakgodin, Anger als Lucifer himself én Donald Cammell - coregisseur van de cultfilm Performance - als Osiris, Heer van de Dood, terwijl de psychedelische soundtrack werd toevertrouwd aan de al even infame rocker Bobby Beausoleil. Helaas werd Beausoleil, die verbonden was aan de Manson Family, nog tijdens de productie ontslagen en spoedig daarop zelfs tot levenslang veroordeeld wegens moord, waarna Anger uiteindelijk een beroep deed op Led Zeppelingitarist en mede-Crowleyfanaat Jimmy Page om de klus te klaren. Een slechte ingeving: na drie jaar aanmodderen kwam Page aandraven met 25 minuten gitaarnoise die in Angers optiek compleet onbruikbaar bleek, waardoor hij alsnog terug aanklopte bij Beausoleil, die in 1979 een nieuwe soundtrack opnam in de gevangenis met een band die nota bene alleen uit veroordeelde criminelen bestond. Véél heeft Anger sinds Lucifer Rising - die bombastische mix van rituelen, relicten, wedergeboortes, superposities en kosmische fenomenen - niet meer klaargespeeld. Alleen een reeks lezingen en retrospectieves hielden hem de voorbije 25 jaar uit de anonimiteit, samen met enkele obscure kortfilmpjes, de sequel op Hollywood Babylon uit 1984 (met een obese Liz Taylor op de cover) en de documentaire The Man We Want to Hang (2002) over zijn mentor Alisteir Crowley. Of zijn kortfilm over de zelfmoord van zijn buurman de rockzanger Elliot Smith ooit uitkomt, of het langverwachte derde deel van Hollywood Babylon, blijft dan ook hoogst twijfelachtig. Al weet je met Anger - hogepriester van de camp, onverbeterlijke rel- en roddelnicht, slachter van de Hollywoodmythologie en heraut van de experimentele cinema - natuurlijk maar nooit. Mag wat ons betreft alvast niet ontbreken in deel drie van Hollywood Babylon: dat smeuïge verhaal over die ooit zo beloftevolle filmmaker die ondertussen al dertig jaar lang in de marges van het filmbedrijf opereert, zich ooit al masturberend liet tapen door seksuologiepionier Dr. Alfred Kinsey, deelnam aan tal van seks- en drugsexperimenten én levenslang bevriend was met Anton la Vey, stichter van de Satanische Kerk. Eat your heart out, Pete Doherty! Door Dave Mestdach