Toen het Amerikaanse magazine Rolling Stone onlangs naar de favoriete songs van Barack Obama peilde, kwam de Democratische presidentskandidaat met een opvallend gevarieerd lijstje aanzetten. Obama was in zijn jeugd een grote fan geweest van Elton John, Stevie Wonder en Earth, Wind & Fire, maar bleek ook van jazzlegendes als John Coltrane, Miles Davis en Charlie Parker te houden. Howlin' Wolf, Bob Dylan en Sheryl Crow behoorden ook tot zijn favorieten, net als rapper Jay-Z en de Aziatisch-Amerikaanse cellist Yo-Yo Ma.

Een lijstje dat tegelijk zwart, wit en geel kleurt en waarin zowel jazz, blues, pop als hiphop vertegenwoordigd zijn? Dat getuigt van een wel erg eclectische smaak. Een verdacht eclectische smaak, we might add. Want denkt u vooral niet dat Obama in zijn eigen iPod is gaan snuisteren. Over 's mans lijstje is door zijn campagneteam lang en diep nagedacht, waarbij geen muziekgenre of etnische groep over het hoofd werd gezien. Muziek is tijdens presidentsverkiezingen een zaak van staatsbelang, een van de vele middelen die politici aanwenden om zich te profileren, zich in de gunst van verschillende doelgroepen te werken en - impliciet of expliciet - een politieke boodschap over te brengen.

En dus schalt tijdens Democratische conventies tussen twee speeches door wel eens een flard uit John Lennons Power To The People of een streepje We Are Family van Sister Sledge door de boxen, laat Obama zich openlijk steunen door culturele coryfeeën als Bob Dylan, Bruce Springsteen en Ben Harper en schudt hij voor het oog van de camera's wat graag handjes met Stevie Wonder, Ludacris en Jay-Z. De onderliggende boodschap: Obama is een hippe, straatwijze kerel die voeling heeft met de huidige jongerencultuur én die van de babyboomers.

ROCKERS VS REDNECKS

Dat die steun uit culturele hoek ook wel eens averechts werkt, mocht John Kerry vier jaar geleden ondervinden. Geen presidentskandidaat die ooit op méér support van muzikanten, acteurs en andere culturele iconen kon rekenen dan hij. Ter ondersteuning van zijn kandidatuur trokken grote namen als Jackson Browne, Pearl Jam, R.E.M., Neil Young en Bruce Springsteen onder de noemer Vote For Change zelfs op tournee door de zogenaamde swing states, om er de onbesliste kiezers tot het kamp van Kerry te bekeren. Het mocht niet zijn, George Bush kreeg zijn four more years.

Eerste conclusie: Springsteen en co hadden voor eigen kerk staan preken en konden noch de Republikeinse, noch de zwevende kiezer overtuigen. Tweede conclusie: Amerikanen mogen dan behoorlijk starstruck zijn, als het erop aankomt, hechten ze nog minder geloof aan entertainers dan aan hoogwaardigheidsbekleders. Vooral dan in de Bible Belt en de Midwest, niet toevallig het fort van de Republikeinen. Logisch dus dat John McCain zijn Democratische opponent precies op die flank probeert aan te vallen door Obama openlijk met Paris Hilton te vergelijken en hem als een celebrity onder de celebrities voor te stellen.

'Maar dat betekent niet dat McCain géén steun zoekt in de entertainmentsector', zegt Peter Vermaas, Amerikacorrespondent en auteur van In God We Trust: Geloven in Amerika. 'McCain gaat óók actief op zoek naar zogenaamde endorsements en kan op minstens zoveel hand- en spandiensten van muzikanten rekenen als Obama. Alleen gaat het dan om artiesten uit het countrymilieu die wereldberoemd zijn in Amerika, maar compleet onbekend in Europa.' Zoals singer-songwriter Toby Keith, maar ook countryzangeres Carrie Underwood en het populaire duo Brooks & Dunn, dat vier jaar geleden met Only In America zelfs Bush' officiële campagnesong mocht leveren. Ook het Republikeinse kamp probeert zich door middel van muziek dus politiek te profileren, want geen genre waarin vaderlandsliefde en de American way of life zo heroïsch worden bezongen als in countrymuziek.

'Country en rechtsconservatisme zijn al decennialang met elkaar verstrengeld en daar is een eenvoudige verklaring voor', weet Peter Vermaas. 'Countryartiesten zijn veel minder bereisd dan pakweg rockartiesten. Ze weten veel minder af van wat er zich in de rest van de wereld afspeelt en richten zich in hun muziek bijna uitsluitend op het Amerikaanse leven. Dat wordt door Republikeinen als heel erg patriottisch ervaren. En vaderlandsliefde is natuurlijk hun politieke thema par excellence.'

Rockers versus rednecks: ziedaar het muzikale equivalent van de strijd tussen Democraten en Republikeinen.

OPERATIE RECUPERATIE

Campagnesongs, endorsements en exclusief aan één partij verbonden muziekgenres: in vergelijking met hun collega's in de US of A hebben Belgische politici nog heel wat te leren over het gebruik van muziek als politiek marketingmiddel. Jean-Luc De-haene deed ooit een onverdienstelijke poging door aan de vooravond van de federale verkiezingen van 1999 hevig transpirerend, met de vuisten omhoog en dus ook met zichtbare okselvijvers een toonloos 'Céé Déé en Véé' aan te heffen op de wijs van YMCA. Bijna even origineel als de SP.A, die haar partijconventies muzikaal opluistert met Rood van Marco Borsato. Of de Open VLD, die haar militanten weleens laat meekwelen met Blauw van The Scene. Of voormalig vakbondsleidster Mia De Vits, die in 2004 even overwoog om haar Europese verkiezingscampagne kracht bij te zetten met Mia van Gorki.

Iets gedurfder én controversiëler was het gebruik van dEUS' Suds & Soda bij de onthulling van het nieuwe logo van Open VLD, slechts luttele maanden na 0110. Hoewel bedenker Noël Slangen van krommenaas gebaarde, vonden politieke analisten dat de liberalen daarmee schaamteloos de concerten voor verdraagzaamheid kaapten om hun nieuwe, progressieve imago te onderstrepen.

Politieke recuperatie: het is een beproefde methode die ook Barack Obama beheerst. Tijdens de Democratische conventie in Denver sloot Obama zijn redevoering af met Only In America, de song die George Bush tijdens zijn kiescampagnes als patriottische hymne had gebruikt. 'Op die manier wilde Obama duidelijk maken dat hij een even toegewijde patriot is als de gemiddelde Republikein', legt Peter Vermaas uit. 'En in één moeite door dong hij daarmee naar de gunsten van de kiezers in het heartland, waar country ongemeen populair is.'

OP DE DOLE

Muzikale propaganda is natuurlijk geen recent verschijnsel. Napoleon had in de vroege 19e eeuw niemand minder dan Ludwig van Beethoven zo diep in zijn zak steken dat de hardhorige componist zowaar zijn Derde Symfonie aan hem opdroeg. Zowel Sjostakovitsj, Prokofiev als Stravinsky leenden hun muziek aan politieke partijen. Leni Riefenstahl recupereerde in haar propagandafilms de Carmina Burana van Carl Orff om het nazisme te verheerlijken. De Britse politicus Bill Deedes probeerde zich in 1963, op het hoogtepunt van de Beatlemania, in de gunst van de jeugd te vleien door de Fab Four te prijzen 'for rejecting the sloppy standards of their elders'. Dat men soms moet uitkijken met gratuite loftuitingen op muziekgroepen, bewees Gordon Brown dan weer, toen hij zichzelf openlijk een fan van Arctic Monkeys verklaarde, maar desgevraagd geen enkele song van zijn favoriete groep kon opnoemen.

Een song tot officieel campagnelied uitroepen zónder de toestemming van de componist te vragen, is ook al geen aanrader. Toen William Hague, de conservatieve uitdager van Tony Blair tijdens de Britse parlementsverkiezingen van 2000, zijn gebrek aan charisma probeerde uit te spelen met Man Next Door van Massive Attack, liet de groep met-een een persmededeling uitsturen met de boodschap: 'The Tories are fucking up the country.' Bob Dole had tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1996 het lumineuze idee om zijn aanhangers aan te vuren met een alternatieve versie van Soul Man - 'I'm a Dole man' - maar kreeg van Isaac Hayes prompt een proces aan zijn been.

Hillary Clinton presteerde het om in de aanloop naar de voorbije primaries maar liefst twee keer te blunderen. Eerst door You And I als campagnelied te kiezen, een song van de Canadese Celine Dion, die ze verkeerdelijk voor een Amerikaanse hield. En daarna door tijdens conventies herhaaldelijk het spreekgestoelte te bestijgen op de tonen van Golden Earrings When The Lady Smiles, in de Verenigde Staten fel gecontesteerd vanwege de bijbehorende clip, waarin onder meer een non wordt aangerand. Zo mogelijk nog bonter maakte Ronald Reagan het in 1984 door tijdens zijn herverkiezingscampagne Springsteens Born in the USA tot campagnesong te promoveren, dat ondanks zijn triomfalistische deun géén patriottische hymne is, maar wel een afkeuring van de oorlog in Vietnam en impliciet dus ook van het oorlogszuchtige beleid van war president Reagan.

Muziek en politiek: ze mogen dan al eeuwenlang verstrengeld zijn, een hecht huwelijk zullen ze wellicht nooit vormen. Hoewel, woont er tegenwoordig geen zangeres in het Elysée?

De Amerikaanse Presidentsverkiezingen

4 november

Te volgen op alle zenders

Door Vincent Byloo