'Alle goede kunst is indiscreet', claimde Tennessee Williams ooit en als iemand daarvan overtuigend bewijs leverde, dan wel de beruchte Amerikaanse toneelschrijver zelf. In zijn taboedoorbrekende oeuvre creëerde Williams verschillende iconische personages die net als hijzelf autodestructief, seksueel gefrustreerd en drankzuchtig waren. Denk maar aan Blanche DuBois en Stanley Kowalski uit A Streetcar named Desire (1947), of Brick en Margaret uit Cat on a Hot Tin Roof (1955), de kibbelende koppels uit zijn Pulitzerprijs winnende toneelstukken.
...

'Alle goede kunst is indiscreet', claimde Tennessee Williams ooit en als iemand daarvan overtuigend bewijs leverde, dan wel de beruchte Amerikaanse toneelschrijver zelf. In zijn taboedoorbrekende oeuvre creëerde Williams verschillende iconische personages die net als hijzelf autodestructief, seksueel gefrustreerd en drankzuchtig waren. Denk maar aan Blanche DuBois en Stanley Kowalski uit A Streetcar named Desire (1947), of Brick en Margaret uit Cat on a Hot Tin Roof (1955), de kibbelende koppels uit zijn Pulitzerprijs winnende toneelstukken. De inspiratie voor die passionele kommer en kwel hoefde Williams, die in 1911 in Mississippi ter wereld kwam als Thomas Lanier Williams III, niet ver te zoeken. Zijn eigen getroebleerde familiegeschiedenis werd gedomineerd door zijn driftige en dikwijls dronken vader Cornelius en zijn overbeschermende en labiele moeder Edwina. Bovendien werd zijn jeugd, net als die van veel van zijn personages, vervormd door allerlei fysieke en psychische kwalen. Zo was Williams als kind twee jaar lang aan zijn bed gekluisterd door difterie, terwijl zijn schizofrene zus Rose vrijwel haar hele leven in instellingen sleet. Toen een mislukte lobotomie haar tot een levende plant degradeerde, was dat voor Williams zelfs zo'n klap dat hij aan de drank raakte en brak met zijn ouders die hij voor haar vegetatieve toestand verantwoordelijk achtte. Dat het archetype van de psychisch labiele southern belle in veel van zijn hitsige toneelstukken een hoofdrol speelt, hoeft dus niet te verwonderen. Dat nogal wat personages naar hemzelf of zijn familieleden werden gemodelleerd al evenmin. Als we zijn biografen mogen geloven, stond zijn zus Rose model voor zowel Blanche DuBois uit A Streetcar Named Desire als Laura Wingfield uit The Glass Menagerie, het getormenteerde geheugenspel waarmee hij in 1944 zijn doorbraak op Broadway forceerde. Bovendien worden ook zijn andere bekende stukken - zoals The Rose Tattoo (1951), Orpheus Descending (1957) en The Night of the Iguana (1961) - bevolkt door doorzopen driftkikkers, zuiderse patriarchen en hysterische huisvrouwen die zo uit het familiealbum van de Williamsen lijken geplukt. 'Als het werk eerlijk is,' klonk zijn artistieke credo, 'kan het onmogelijk gescheiden worden van de man die het schreef.' Dat betekent nog niet dat zijn omvangrijke oeuvre, dat naast toneelstukken en filmscenario's ook essays, gedichten en twee romans omvat, daarom tot louter zelftherapie kan worden gereduceerd. Daarvoor was hij als tiener al een te gepassioneerd lezer en liggen de invloeden van George Bernard Shaw, August Strindberg, Hendrik Ibsen en Anton Tsjechov - zijn favoriete auteurs - er te dubbeldik op. Toen zijn vriend en collega Gore Vidal beweerde dat Williams nooit een boek las, antwoordde hij laconiek: 'Hij bedoelt dat ik nooit een van zijn boeken lees.' Toch waren niet alle privébesognes even vlot bespreekbaar voor Williams, die begin jaren 30 om zijn zangerige zuiderse accent Tennessee werd gedoopt door zijn medestudenten aan de unief en de naam sindsdien ook zelf bezigde. Hoewel het thema op bedekte wijze meer dan eens de revue passeerde, lag Williams lange tijd in de knoop met zijn homoseksualiteit, al was hij wel een van de eerste bekende Amerikanen die voor zijn geaardheid uitkwam. Dat moest ook wel, aangezien Time Magazine hem medio jaren 50 had geout. Het leverde hem niet alleen in zijn geboortestreek flink wat kritiek op, maar ook in de rest van Amerika, dat zeker ten tijde van McCarthy niet openstond voor dingen die tegen de moral majority indruisten. Bovendien kende Williams, die door zijn vader vaak spottend Miss Nancy werd genoemd, meer ellende dan geluk in de herenliefde. De eerste man met wie hij enkele jaren een discrete relatie had, danser Kip Kierman, ging er met een vrouw vandoor - met een depressie tot gevolg. Voor hij zelf uit de kast durfde te klauteren, volgde hij jaren therapie om via psychoanalyse van zijn homoseksualiteit af te geraken. Tenminste: als hij zich tussendoor niet gewillig liet vernederen en misbruiken door een van zijn talloze scharrels. Alsof de duivel zich ermee bemoeide, verloor hij vroegtijdig zijn enige ware liefde en stabiliserende factor. Dat was zijn impresario Frank Merlo, met wie hij vijftien jaar lang lief en vooral leed deelde tot die in 1963 aan longkanker overleed. Geen wonder dat Williams, die van nature al neerslachtige buien had, nog dieper in drank en drugs weggleed. Een decennium lang sukkelde hij van de ene depressie in de andere. In 1969 bekeerde hij zich zowaar even tot het katholicisme, om na zijn zoveelste zenuwinzinking door zijn jongere broer Dakin voor enkele maanden in een instelling te worden geplaatst. Dat laatste was voor Williams - die zich publiek nochtans graag als een minzame dandy voordeed - de ' allergrootste nachtmerrie', zoals hij in 1975 bekende in zijn onthullende en bijna gênant exhibitionistische autobiografie Memoirs. Hoewel hij bleef schrijven tot aan zijn dood in 1983, zou hij na dat trauma nooit meer helemaal de oude worden, met enkele pijnlijke professionele mislukkingen en Broadwayflops als extra downers. 'Niemand is er zich meer van bewust dan ikzelf dat ik als de geest van een schrijver word beschouwd', schreef een verbitterde Williams in 1977 in The New York Times. 'Ik ben een geest die nog altijd zichtbaar is, met vol vlees en misschien te ambulant, maar een schrijver die vooral herinnerd wordt om werken die tussen 1944 en 1961 in première gingen.' Dat zelfs zijn pathetische dood uit een van zijn flamboyante, licht groteske schrijfsels scheen gerukt, leek niet meer dan toepasselijk. Wie anders dan Williams had kunnen stikken door de capsule van zijn oogdruppels in te slikken? Of was het toch veeleer de cocktail van alcohol en barbituraten - zoals het autopsierapport achteraf reveleerde - die hem fataal werd? 'We zijn allemaal proefdieren in Gods laboratorium', orakelde Williams. 'De mensheid is slechts een work in progress.' 'Alles uit zijn leven zit in zijn stukken en alles uit zijn stukken zit in zijn leven', wist Elia Kazan, de filmregisseur die in 1951 uitpakte met de revolutionaire Williamsadaptatie A Streetcar Named Desire. Met zijn broeierige sfeer, driftige dialogen, zuiderse setting en controversiële thema's als overspel, huiselijk geweld en alcoholisme sloeg Kazans film in als een hormonenbom. Bovendien betekende de film de doorbraak van de jonge Marlon Brando, die met zijn innoverende method acting de seks van het scherm deed spatten als Stanley Kowalski, de manipulatieve bruut die zijn schoonzus Blanche DuBois zowel doet kirren van opwinding als laat beven van angst. Dat A Streetcar Named Desire meteen de standaard werd voor alle latere Williamsverfilmingen hoeft niet te verbazen. Die adaptaties speelden trouwens een grote rol in de volwassenwording van Hollywood en bleken zeker in de jaren 50 en 60 voor heel wat prestigieuze filmsterren dé gedroomde arena om thematische taboes te beslechten, alsook om te experimenteren met nieuwe manieren van regisseren en acteren. Zo bulkt het in de andere Williamsverfilmingen van de beroemde methodacteurs die hun demonen op het scherm van zich af spelen. Denk maar aan Paul Newman, die de sores uit zijn lijf schreeuwt in Cat on a Hot Tin Roof, in 1958 verfilmd door Richard Brooks, als de bezopen sportvedette Brick die zijn kattige vrouw Margaret (Elizabeth Taylor) niet langer kan of wil bevredigen. In Joseph L. Mankiewicz' versie van Suddenly, Last Summer (1959) zie je dan weer hoe Montgomery Clift als psychiater verstrikt raakt in een pervers machtsspel tussen een rijke erfgename (Katharine Hepburn) en haar labiele nichtje (Elizabeth Taylor). Hoewel Williams niet altijd tevreden was met de filmversies van zijn stukken - hij noemde Cat on a Hot Tin Roof zelfs een schande - deden ze zijn renommee tot ver buiten de grenzen van Broadway reiken. Bovendien wisten ze allerlei gevoelige onderwerpen voor het eerst de bioscoop binnen te smokkelen, met de ontluikende seksuele revolutie en het failliet van de All American Family loerend op de achtergrond. Het succes van zijn films zorgde ervoor dat Williams met de jaren tot hét literaire embleem van het diepe zuiden van de VS uitgroeide, ook al had hij als relnicht, drankorgel en dandy weinig tot niets gemeen met de conservatieve mores van de Bible Belt. Een scheut zoete ironie gesprenkeld over een bitter, bitter leven. 100 JAAR TENNESSEE WILLIAMS Van 23/3 tot 30/4, Cinematek, Brussel. www.cinematek.be DOOR DAVE MESTDACH'Als het werk eerlijk is, kan het onmogelijk gescheiden worden van de man die het schreef.'