1 Reizen is een terugkerend thema in je werk. Ook in deze roman staat een reis centraal. Waarom vind je die zo belangrijk?
...

1 Reizen is een terugkerend thema in je werk. Ook in deze roman staat een reis centraal. Waarom vind je die zo belangrijk? Peter Drehmanns: Omdat ik er zelf ook zo van hou. Ik ben nu trouwens op reis. Ik hou ervan mijn protagonisten op reis te sturen omdat ze dan losgeweekt worden van een vertrouwde omgeving en hun alledaagse routine. Daardoor zijn ze extra kwetsbaar, lopen ze het risico te verdwalen en worden ze geconfronteerd met zichzelf en hun eigen zwaktes. De werkelijkheid waarin ze worden ondergedompeld ervaren ze steeds meer als onwerkelijk, als een samenzwering tegen henzelf. Daardoor raakt de lezer in zekere zin ook gedesoriënteerd, hoop ik. Het is mijn intentie verhalen te scheppen die bij de lezer een ongemakkelijk gevoel, verwarring en soms zelfs walging oproepen. Volgens mij is het immers niet mijn taak om mijn publiek in de watten te leggen. Liever stuur ik het op reis in een sadistisch universum. 2 Je hoofdpersoon vindt daarom dat we in een verwarrend, neobarok tijdperk leven. Is Het Wezen daardoor ook een neobarokke roman geworden? Drehmanns: Koen Grondijs ziet inderdaad een grote overeenkomst tussen onze wereld en die van de barok, toen nieuwe wetenschappelijke inzichten, ontdekkingen van andere werelden, religieuze botsingen en ontwrichtende oorlogen leidden tot desoriëntatie, complexiteit, fragmentatie en instabiliteit. Volgens Grondijs vertoont onze hedendaagse werkelijkheid verrassend veel overeenkomsten daarmee. Onze zekerheden worden ontzenuwd door technologische, medische en klimatologische ontwikkelingen. Grondijs wil die wereld inruilen voor een eenvoudig, idyllisch alternatief. De ironie is dat de vorm van deze roman bij uitstek barok is: extravagant, multidimensionaal, gekunsteld en schaamteloos gebruikmakend van hyperbolen, metaforen en ornamenten.3 Kunnen we onze wereld wel achterlaten? Drehmanns: Laat ik me beperken tot Grondijs. Als westerse intellectueel, doordrenkt van westerse esthetische waarden, blijkt hij de natuur van de Archipel haast uitsluitend te kunnen waarnemen door de lens van de sceptische kunsthistoricus die hij is. Als vertegenwoordiger van het decadente Westen is hij dusdanig ver afgedreven van een onbesmette, zogenaamd spontane beleving dat het hem niet lukt de natuurapostel te worden die hij zo graag wil zijn. Zodra hij een regenwoud betreedt, kan hij alleen maar een kathedraal zien en bij een zonsopgang moet hij aan een doek van Turner denken. De natuur is niet meer dan een construct van de cultuur die hij juist wil afzweren. Ik kan me voorstellen dat Grondijs daar niet alleen in staat.