Peeping Tom featuring Mike Patton HHHH

PEEPING TOM

IPECAC/SOUTHERN

Wie zich een trouwe fan van Mike Patton wil noemen, moet de nodige beproevingen doorstaan en over een elastische smaak beschikken. De jongste jaren splitste de even getalenteerde als onberekenbare rocker zijn publiek groep na project in de maag: Mr. Bungle, Tomahawk, Fantômas..., het ene al obscuurder en weirder dan het andere. De man die ooit hits scoorde met Faith No More leek zich na de split volledig over te geven aan zijn ingebakken tegendraadsheid en zijn obsessie voor noise. Hij begon aan een kruistocht tegen de mediocriteit waarbij hij in een wijde boog om alles heen liep wat enigszins naar commercieel succes rook. Al was het boeiend om zijn kronkels te volgen, je kon het betreuren dat hij zijn interessante schizo- frenie - met experimenteerdrift als ene uiterste en catchiness als andere - niet langer volledig uitspeelde.

Het is dan ook een opluchting dat Patton zich eindelijk nog eens aan rock wil wagen die zich niet uitdrukkelijk in de marge parkeert. 'Volgens veel mensen heb ik altijd al een popplaat in me gehad. Ik heb die mensen altijd smakelijk uitgelachen', aldus Patton. Peeping Tom is een publiek excuus voor die houding en geeft een idee van hoe de ideale radio in zijn warrige hoofd klinkt: popmuziek met dubbele bodems en een vetrandje. Opener Five Seconds herinnert al direct aan Faith No More - een fluwelen melodie wordt aan flarden gescheurd door erupties van withete metal-razernij - en slotnummer We're Not Alone zorgt met zijn dubby bas, van hoog naar laag duikende zang, mitrailleurgitaren en ophitsende refrein voor een nog uitbundiger weerzien.

De naam 'Peeping Tom' leende Patton bij de gelijknamige film uit de jaren 60, waarin een lustmoordenaar de doodsangst van zijn slachtoffers op film vastlegt, vanwege de 'totale verstokenheid van fysieke intimiteit' in diens werkwijze. Ook tussen Patton en zijn gasten op dit project was er weinig tot geen echt contact: er werden vooral ideeën heen en weer ge- e-maild, en betrokkenen als Norah Jones en Kool Keith heeft Patton tot op heden zelfs nooit ontmoet. Het belette hem niet om hen de songs op het lijf te schrijven, zonder ze te typecasten. Zo dwingt Sucker de doodbrave Norah Jones tot vuilbekkerij, en krijgt Bebel Gilberto, nog zo'n frêle stemgeluid dat je niet in deze context verwacht, haar Braziliaanse roots te zien door de bezoedelde bril van Patton: in de strofes is Caipirinha zachte bossa, in het refrein barsten big beats los die de kracht van sambapercussie benaderen. Voor de rest komen de sparringpartners vooral uit de hip- en triphopsfeer. Het resultaat is thrillerhiphop die, zoals in het geval van Kill The DJ (met Massive Attack), bij sfeervolle filmmuziek aanleunt. Drum-'n- bassproducer Amon Tobin levert de creepy geluiden voor Don't Even Trip, Rahzel en Dan The Automator de beats voor het bijzonder aanstekelijke Mojo. Bezeten is Patton altijd al geweest. Als hij die waanzin toegankelijk weet te verpakken, serveert hij een unieke, onweerstaanbare cocktail.

Peter Van Dyck