1966 In de film

Het jaar waarin ik heb besloten om naar de filmschool te gaan. Ik had daarvoor in Gent voor landbouwingenieur gestudeerd, en dat was een totaal verkeerde keuze. Na drie jaar heb ik ermee gekapt om iets te doen waarin ik mijn artistieke kant kon uitleven. Ik heb nog getwijfeld tussen architectuur, modeacademie en filmschool, maar architectuur duurde te lang en mode was me iets te wuft in die tijd. Dat ik in de filmschool ben beland, was dus veeleer toevallig, maar die vier jaar hebben mij totaal veranderd. Daar ben ik geworden wie ik nu ben.
...

Het jaar waarin ik heb besloten om naar de filmschool te gaan. Ik had daarvoor in Gent voor landbouwingenieur gestudeerd, en dat was een totaal verkeerde keuze. Na drie jaar heb ik ermee gekapt om iets te doen waarin ik mijn artistieke kant kon uitleven. Ik heb nog getwijfeld tussen architectuur, modeacademie en filmschool, maar architectuur duurde te lang en mode was me iets te wuft in die tijd. Dat ik in de filmschool ben beland, was dus veeleer toevallig, maar die vier jaar hebben mij totaal veranderd. Daar ben ik geworden wie ik nu ben. In de filmschool dacht ik absoluut nog niet aan tv: mijn droom was om films te maken. Uiteindelijk heb ik maar één fictiefilm gemaakt, mijn eindwerk We praten niet over de revolutie, een licht autobiografische prent over een student die in de bouw werkt en een nacht gaat stappen met een van zijn collega-arbeiders. De volgende ochtend gaat de arbeider naar zijn werk terwijl de student blijft slapen. Dat was mijn visie op mei '68: de arbeider had een veel realistischer beeld van het leven dan de student die de wereld wou veranderen maar ver van de werkelijkheid stond. Nadat ik in 1970 was afgestudeerd, heb ik nog geprobeerd verder te studeren aan de filmschool in Rome. Maar dat mislukte en toen ben ik bij de BRT terechtgekomen, bij de Dienst Jeugd en Documentaires. Mijn eerste job? Regisseur van een programma voor bejaarden! Na een paar jaar als regisseur raakte ik met mezelf in de knoop, omdat ik geen inbreng had in de inhoud. Daarom heb ik in 1977 meegedaan aan het journalistenexamen, en in 1979 ben ik dan begonnen bij Panorama, waar ik voor het eerst tegelijk journalist en regisseur mocht zijn. Bij Panorama heb ik door de jaren heen mijn eigen stijl ontwikkeld, waarbij ik steeds meer naar human interest evolueerde. Vroeger bleven reportages beperkt tot enkele interviews met deskundigen, maar ik heb de gewone man centraal geplaatst. Ik word nog dagelijks aangesproken op mijn reportage over de Millet-snobs, vooral door mensen die toen 15 waren, omdat ik toen op een heel eenvoudige maar heel directe manier het gedrag van jongeren in een groep heb geanalyseerd. De impact was ongelooflijk: we hadden 2,5 miljoen kijkers, iedereen schreef over de reportage en ik was van de ene dag op de andere een bekendheid. Eigenlijk was het onmogelijk om daarna ooit nog iets te maken met evenveel impact. Een cruciaal jaar in mijn leven: ik verliet de BRT om mijn eigen productiehuis op te richten en begon als freelance reportagemaker voor Telefacts. Een gigantisch risico. Ik was 45 jaar en vast benoemd, en van de ene dag op de andere moest ik als zelfstandige beginnen, tussen allemaal jonge mensen. Maar ik had geen zin om tot mijn pensioen hetzelfde te blijven doen. VTM is begonnen in 1989, en ik heb eerst nog anderhalf jaar verbeten programma's gemaakt voor Panorama om de commerciële zender te bestrijden. Dat lukte redelijk, maar bij de BRT was er weinig enthousiasme, men was niet bezig met de concurrentie. 1992 Jambers rules Na één jaar heeft de toenmalige directrice van de VTM-nieuwsdienst Gaby Feyaerts gevraagd om Jambers te maken. Dat het programma mijn naam zou dragen, was haar idee. Ik had zelf een paar andere voorstellen gedaan, maar zij vond dat de bezieler zijn naam moest geven. Het was toen de mode om je voornaam te gebruiken, zoals bij de talkshow Luc met Luc Appermont, maar dat paste niet echt bij mijn temperament. Jambers klinkt toch iets rauwer. De eerste twee jaren van Jambers zijn mijn absolute hoogtepunt. De reportages zaten goed zowel qua vorm als qua inhoud, én ik had een groot publiek, ongeveer 1,7 miljoen per week. Toen de uitzending begon, schakelde tweederde van de BRT-kijkers over naar VTM, en na afloop schakelden ze terug. In het begin vond iedereen, zowel de kijkers als de pers, het prachtig, maar met het succes kwam ook de kritiek. Nu, voor Jambers, tien jaar later heb ik alles opnieuw bekeken en eigenlijk is het bijna onwerkelijk dat er zo'n discussie is ontstaan rond een redelijk braaf programma als Jambers. Uiteindelijk gaven wij gewoon een beeld van de realiteit: die mensen hadden ook bestaan zonder dat er een camera was geweest. In 1998 ben ik gestopt met Jambers. Ik maakte daarna voor Jambers Magazine alleen nog de inleidingen, de interviews liet ik aan medewerkers over. Het was hoog tijd. Ik had er zelfs twee jaar eerder mee moeten ophouden. De verwondering was weg. Op den duur kreeg ik het gevoel: ik heb dit allemaal al eens gedaan. De thema's en getuigen zijn niet onuitputtelijk. Jambers Magazine was in zekere zin ook herkauwen. Op een bepaald moment was dat voor mij heel moeilijk omdat mijn visie als tv-maker niet helemaal terug te vinden was in Jambers Magazine. Ik weigerde om iets te ensceneren, terwijl er in Jambers Magazine soms wel duidelijk geregisseerd werd. Daar is veel kritiek op gekomen, kritiek waar ik het af en toe mee eens was, maar ik kon dat niet zeggen omdat ik het gezicht en de producent van het programma was. Een heel lastige periode. In het begin van dit jaar heb ik De Televisiefabriek verkocht aan het Nederlandse Eyeworks. Op dat moment kon ik ofwel in de tuin gaan zitten, ofwel opnieuw iets doen dat mij boeit. Met Jambers Onder Zeil keer ik terug naar mijn roots, als interviewer en programmamaker die mensen observeert en daar verslag over uitbrengt. De drang om creatief te zijn, is gewoon veel te groot. Een paar maanden geleden heb ik in Humo gezegd dat ik volgend jaar als ik zestig word met mijn zeilboot zou vertrekken en dat niemand nog iets van mij zou horen. Jammer genoeg had men niet door dat dat een grapje was. Het tegengestelde is waar: zolang ik kan, zal ik actief blijven. STEFAAN WERBROUCK