Eerste zin Vijf weken voor zijn eenenvijftigste verjaardag stond Jan de Vries naakt voor de spiegel in zijn badkamer en wat hij zag, beviel hem niet.
...

Eerste zin Vijf weken voor zijn eenenvijftigste verjaardag stond Jan de Vries naakt voor de spiegel in zijn badkamer en wat hij zag, beviel hem niet. Een ouwe olifant, dat is wat Jan de Vries in de spiegel zag: een beetje uitgezakt, het haar uitgedund - behalve op zijn oren dan - en met een stel kroonjuwelen tussen de benen dat geen vijftig cent meer waard leek. Meer had hij allicht ook niet nodig voor die zeswekelijkse agendaseks met zijn lethargische vrouw Nathalie, die hele dagen op Facebook zat. Op het werk werd Jan opaatje genoemd. Tijdens de weekends draaide hij alleen nog maar plaatjes op trouwfeesten, niet meer in de hippe tenten van weleer. Nee, het ging niet goed met Jan, tot hij, uitgenodigd op een feestje bij de buren, een idee kreeg: een eightiesparty organiseren. Samen met zijn beste maat Chris, die al decennia zijn debuutroman De zinnen van het leven aan het herschrijven is, begint Jan te brainstormen en al gauw rolt de titel van het gebeuren eruit: Jong Belegen. Het lokale zaaltje wordt afgehuurd, er worden posters van Abba en Prefab Sprout opgehangen en een paar mannen gaan aan de slag met het opbouwen van een krakershoek, inclusief opgezette ratten en een hoop stront achter het bankstel. Jan doet zijn duit in het zakje met een ingekorte versie van Meatloafs Paradise by the Dashboard Light, 3 minuten 35 in plaats van 8 minuten 28 - hij weet uit ervaring dat vijftigers kramp krijgen bij het dansen op de originele finale. Robert van Eijden debuteerde drie jaar geleden met Boek (256 blz.), dat hem meteen een nominatie voor de Bronzen Uil opleverde. Die roman was nog het best te omschrijven als Karl Ove Knausgård en Herman Brusselmans die samen in een vakantiepark wat zitten te ouwehoeren, maar het tragikomische resultaat mocht er zijn. Ook Paradijs bij het dashboardlicht is tegelijk zowel dolkomisch als dieptragisch. Deze being of age-roman, zoals Van Eijden hem zelf omschrijft, gaat immers over oud worden in een maatschappij waar alleen jong zijn waardevol lijkt. Het is een boek over gemiste kansen, het gewicht van de dagelijkse sleur, vervreemding en die grote existentiële vraag die David Byrne zich in 1980 al stelde en die het motto werd van deze roman: 'How did I get here?'