Met de radiohit My Number kreeg Foals, een kwintet uit Oxford, het ijzer tweeënhalf jaar geleden heter dan ooit tevoren. Het smeedwerk voor de nieuwe en aldus belangrijke vierde plaat What Went Down vond plaats in een studio in het zuiden van Frankrijk. Een landelijk, peisvol oord niet ver van Gods stacaravan: er kan maar één reden zijn waarom een groep die zo hard toert en feest zich daar wekenlang aan de kant parkeert.
...

Met de radiohit My Number kreeg Foals, een kwintet uit Oxford, het ijzer tweeënhalf jaar geleden heter dan ooit tevoren. Het smeedwerk voor de nieuwe en aldus belangrijke vierde plaat What Went Down vond plaats in een studio in het zuiden van Frankrijk. Een landelijk, peisvol oord niet ver van Gods stacaravan: er kan maar één reden zijn waarom een groep die zo hard toert en feest zich daar wekenlang aan de kant parkeert. YANNIS PHILIPPAKIS: Een plaat opnemen is geen vakantie, mate. Ik zat vijftien uur per dag tussen die vier studiomuren. Deze keer wilde ik wel de boel niet ingewikkelder maken dan strikt noodzakelijk. We just didn't want to fuck methet materiaal dat we thuis in Oxford al hadden geschreven. Vroeger zouden we die demo's in reepjes hebben gesneden of binnenstebuiten gekeerd om het creatieve proces in de studio moedwillig te verstoren of op te fokken. Deze keer niets daarvan. PHILIPPAKIS: Neen. Dat was trouwens een heel gedoe. We hadden toen een partij runder- en schapenbeenderen meegekregen, maar daar moesten we zelf nog het vlees af koken. De bedoeling was een tribaal voodooritueel te creëren, maar de klank viel tegen: net twee verfborstels die je tegen elkaar tikte. Een plaat opnemen is sowieso een intens proces, deze keer wilden we er geen schep bovenop doen. PHILIPPAKIS: Licht én donker. Het is geweldig om die heavy, fysieke songs gestalte te geven. Maar onvermijdelijk voelt iedereen in de groep daarna de behoefte om dat geweld te counteren met tederheid. Die polariteit moet op elke plaat van ons bestaan. PHILIPPAKIS: Het basisinstinct is altijd hetzelfde gebleven: onszelf verrassen, keer op keer een nieuwe reïncarnatie van onszelf vormgeven. En met betrekking tot de buitenwereld: iets maken wat voor de luisteraar onbekende deuren opent. Platen als Surfer Rosa van Pixies of Calling Out of Context van Arthur Russell hebben mijn brein veranderd op een manier die ik voordien niet voor mogelijk had gehouden. Dat maakt je, zelf muzikant geworden, onbaatzuchtig in wat je doet. Je wilt de wereld iets schenken. In feite steek je een boodschap in een fles zonder te weten wat die teweeg zal brengen. Dat is mooi. Kijk, als mens ben ik niet in staat met meer dan pakweg vijftig mensen een hechte band te hebben. Als muzikant kan dat wél. Ik kan deel uitmaken van het intieme leven van duizenden. Dat zou het proces van muziek maken... heilig moeten maken. Daarom spring ik er ook niet geringschattend mee om. Ik wil geen cheap shit bubblegum indie rock songs schrijven waarbij ik doe alsof ik in Primal Scream zit. Ik wil iets puurs maken, waarbij ik iets uit mezelf kerf en het dan de wereld in gooi. Om dan vanaf een afstand gade te slaan hoe mensen eromheen zwermen, en welke impact het heeft. PHILIPPAKIS: Bij kleine shows voel ik me een primaat, een echt zoogdier. Je ruikt de testosteron, het is bijna een biologische gewaarwording. Bij grote shows transformeer ik - omdat ik nu eenmaal de frontman ben - tot een koortsige, evangelische, amorele priester die een gemeenschap leidt. Enfin, zoiets. We spelen tegenwoordig voor grotere zalen dan ooit, maar ik zal met evenveel goesting weer die punkshows spelen wanneer we op onze retour zijn. PHILIPPAKIS: Natuurlijk. Ik ben zowat uit de moederschoot gekomen met een sterk besef van tijd. Ik werd voortdurend in beslag genomen door mijn toekomstige zelf. Laatst had ik het daar nog over met mijn moeder. Ze zei dat ik al op mijn achtste gehaast was om op te groeien. En nu ik opgegroeid ben, ben ik gehaast om mijn sterfelijkheid te omarmen. Dat is allicht ook allemaal in de nieuwe plaat geslopen. Nog nooit ben ik zo diep in mijn psyche afgedaald. In die mate dat het me heeft verbaasd dat het kan: uiting geven aan grote interne conflicten binnen het gebalde formaat van een popsong. Want ik kijk nu anders naar de wereld dan tot voor enkele jaren. PHILIPPAKIS: In feite gaat deze plaat nog het meest over nieuwe paniek. Albatross, A Night in the Ocean en What Went Down zijn daar de duidelijkste voorbeelden van. Het heeft ermee te maken dat de band al zo lang bestaat. Eerst speelden we op feestjes, zonder concrete vooruitzichten. We waren jonge mannen die zich onverslijtbaar waanden. Dat is veranderd. Want een deel van mezelf wenst zich te settelen. Met kinderen, een hond en een rozentuin. Maar misschien bazuin ik dat wel rond omdat ik weet dat dat me nooit zal overkomen. Zeker niet nu: de groep wordt groter en groter, alles wat we doen, trekt me net verder van die droom weg. Wat eveneens meespeelt: zelfdestructie zit er bij mij ingebakken. Als je 21 bent, blijft dat zonder gevolgen. Tot je je realiseert dat je daden en beslissingen misschien eerst tijdelijke, maar ook permanente gevolgen hebben. Je mogelijkheden verschrompelen. Mijn oneindige horizon is verdwenen. In de plaats zie ik nu duidelijke richtingaanwijzers: of ik kies voor kinderen, een hond en een rozentuin, of ik ga er binnen afzienbare tijd uitzien als Lemmy van Motörhead. (grijnst)WHAT WENT DOWN Uit op 28/8 bij Transgressive/Warner.DOOR KURT BLONDEELYannis Philippakis: 'EEN DEEL VAN MIJZELF WIL ZICH SETTELEN, MET KINDEREN, HOND EN ROZENTUIN. MAAR MISSCHIEN BAZUIN IK DAT WEL ROND OMDAT IK WEET DAT DAT NOOIT ZAL GEBEUREN.'