Het is donderdag 24 september 2015. En het is een belangrijke dag voor sir Alan, zoals Parker sinds hij geridderd is door de Queen aangesproken dient te worden. Hij moet vanavond het podium van het British Film Institute op om een volle zaal te onderhouden over zijn rijk gevulde leven en werk. De in de adelstand verheven working-class kid uit Islington, een voorstadje van Londen, mag vandaag in het filminstituut op de Southbank, waarvan hij zelf enkele jaren voorzitter was, bovendien een tentoonstelling openen, met de beste cartoons die hij uit zijn getalenteerde tekenhand schudde én enkele speciale items uit zijn carrière.
...

Het is donderdag 24 september 2015. En het is een belangrijke dag voor sir Alan, zoals Parker sinds hij geridderd is door de Queen aangesproken dient te worden. Hij moet vanavond het podium van het British Film Institute op om een volle zaal te onderhouden over zijn rijk gevulde leven en werk. De in de adelstand verheven working-class kid uit Islington, een voorstadje van Londen, mag vandaag in het filminstituut op de Southbank, waarvan hij zelf enkele jaren voorzitter was, bovendien een tentoonstelling openen, met de beste cartoons die hij uit zijn getalenteerde tekenhand schudde én enkele speciale items uit zijn carrière. 'Hier ben ik misschien wel het meeste trots op', glundert Parker, terwijl hij langs stills uit Bugsy Malone (1976), Angel Heart (1987) en Evita (1995) flaneert en wijst naar een bescheiden vitrinekastje. 'Het is mijn aanvraagformulier om lid te worden van de Director's Guild of America. Daarvoor had ik drie handtekeningen nodig van erkende leden die mijn aanvraag wilden ondersteunen. Kun je de namen lezen? Het zijn John Frankenheimer, Stanley Kubrick en Francis Ford Coppola. Het waren de grootste namen die ik kon strikken, en ze bleken mijn werk te appreciëren. Dát, of ze tekenden uit medelijden.' Hoewel hij ondertussen 71 is, twee keer genomineerd is voor de Oscar voor beste regisseur, prijzen pakte in Cannes en Berlijn en vooral in de jaren zeventig en tachtig de ene hit na de andere scoorde, kan Parker zijn trots nog altijd niet verbergen. En zijn gevoel voor zelfrelativering. Wie een blik op zijn cv werpt, merkt dat sir Alan altijd al een januskop heeft getoond: aan de ene kant is er de serieuze, politiek bewuste filmmaker, de man die streed tegen racisme in Mississippi Burning (1988), de Vietnamoorlog in Birdy (1984), de doodstraf in The Life of David Gale (2003) of misbruik in Turkse gevangenissen in Midnight Express (1978). Aan de andere kant is er de frivole entertainer, de ex-reclamemaker die altijd al een neus voor commercie heeft gehad en die neus niet optrok voor luchtig vertier als Bugsy Malone, Fame (1982) en The Road to Welville (1994). Een auteur zul je Parker, met een oeuvre dat toch wel heel verschillende genres en stijlen omspant, zichzelf dan ook nooit horen noemen. 'Ik heb altijd een hekel gehad aan de auteurstheorie die stelt dat goede films de individuele expressie van een regisseur zijn. Pretentieuze onzin is dat. Een verzinsel van critici. Een regisseur is weliswaar de belangrijkste man op de set, diegene die de knopen doorhakt, maar film is altijd al een collaboratief medium geweest. Het is het werk van schrijvers, acteurs, technici, muzikanten... Als één schakel niet marcheert, stokt de machine en ik denk niet dat - ahum - 'auteurs' ook een ingenieursdiploma hebben.' ALAN PARKER: Goede cinema moet ofwel het hoofd ofwel het hart aanspreken. Hij moet je ontroeren, of ideeën triggeren. Meer kun je niet verwachten. Ik ben nog altijd een gewone kijker, zoals ik dat als kind al was. En ik laat me nog altijd even makkelijk meeslepen. Of beter: ik ben, nu ik niet meer op de set sta, opnieuw een gewone kijker. Twintig jaar geleden zou ik bij een aangrijpende Ken Loach-film gedacht hebben: waarom zoomt hij nu niet in? Waarom belicht hij de ogen niet? Nu niet meer. Nu zit ik te blèren of me kwaad te maken, net zoals iedereen. Ik laat al die verschillende films in Gent dus graag op me afkomen. Trouwens: spreek ik Gent wel juist uit? Met zachte g? Ik vrees dat je dat hier in Engeland niet eens zo in het openbaar mag zeggen. (lacht)PARKER: Als een verhalenverteller. Hopelijk een beetje een goede. En een ondeugende. Ik heb er altijd van gehouden om binnen een bepaald genre of een bepaalde traditie te werken, maar om daarbij buiten de lijntjes te kleuren. Niet té ver erbuiten, zodat je het publiek niet afstoot. Maar net genoeg om het publiek te prikkelen. Ik ben een populaire entertainer. Of een populistische entertainer. Ik vind dat geen scheldwoord. Zolang als dat betekent dat je iets wilt vertellen aan een groot publiek. Want dat blijft voor een filmmaker het voornaamste: je moet in de eerste plaats iets te melden hebben. Daarom nog niks revolutionairs, maar iets van waarde, dat het entertainende overstijgt. Anders ben je geld aan het verbrassen, en ik kom uit een milieu waar zoiets niet getolereerd werd. PARKER:(knikt) De vragen die jonge aspirant-filmmakers me stellen zijn bijna altijd technisch van aard, over lenzen, over cuts. Zelden gaat het over het waarom van het verhaal, over de motivatie. Dat was vroeger anders. Kids namen een camera ter hand om de wereld te verbeteren. Ze zagen achteraf wel hoe ze die moesten bedienen. De een bleek al meer talent te hebben dan de ander, maar er zat meer urgentie en goesting in. Dat vind ik geen goede evolutie. En dat zie je ook in de hedendaagse cinema. Technisch is het vaak prima, maar waar zijn de ideeën gebleven? Maar goed: ik ben een kind van de jaren zestig en er zijn gelukkig nog altijd goede, jonge filmmakers. PARKER: In carrièretermen heb ik nooit gedacht. Ik heb altijd mijn buikgevoel gevolgd. Net als mijn land- en generatiegenoten Ridley Scott, Hugh Hudson en Adrian Lyne, die ook de stiel in de reclamebranche leerden, daar een zakelijke nuchterheid aan overhielden en heel verschillende dingen hebben gedaan. Ik had succes als reclamemaker en wilde graag de stap naar film zetten, maar in de jaren 70 was er nauwelijks nog een filmindustrie in het Verenigd Koninkrijk. Alles kleurde Amerikaans, dus dacht ik: wat is er Amerikaanser dan film noir en musical? Laat ik die twee genres combineren en bij wijze van spreken iets Amerikaanser maken dan een BigMac. Ik had toen ook jonge kinderen en daaruit is het idee voor Bugsy Malone ontstaan. Het was een gok, maar hij draaide goed uit en de film is nog steeds een cultsucces. PARKER: Dat was mijn antwoord op Bugsy Malone. Ik wilde niet te boek staan als die regisseur van maffe kinderfilms. Ik wilde de echte Parker tonen, de serieuze, volwassen 'auteur', zo je wilt. (grijnst) Maar ik was naïef. Ik wist wel dat de film wat teweeg zou brengen, maar zoveel controverse had ik nooit verwacht. Ik was totaal onvoorbereid. De critici waren vernietigend, vooral in Frankrijk, en de Turken waren woest. Achteraf hebben zowel Billy Hayes, op wiens ervaringen de film gebaseerd was, als Oliver Stone, die het scenario had geschreven, zich voor Midnight Express geëxcuseerd. Dat heb ik altijd geweigerd. Waarom zou ik me excuseren? Uiteindelijk is het maar een film, en één waar ik nog altijd trots op ben. PARKER: Oliver Stone was een volstrekt onbekende toen hij het scenario van Midnight Express in mijn studio in Londen pende. En hoewel ik hem nooit gemogen heb - toen niet en later niet - was zijn script het beste wat ik ooit gelezen had. Turkse journalisten hebben me sindsdien vaak uitgenodigd om naar Turkije te komen. 'Je bent welkom', verzekeren ze me telkens. Waarop ik antwoord: 'Daar twijfel ik niet aan. Waar ik wel aan twijfel, is of ik het land daarna ooit nog uit raak.' (lacht) Na de heisa rond Midnight Express wilde ik absoluuts iets luchtigers doen. Ik ben toen naar Amerika verhuisd en werd verliefd op New York. Daarom heb ik daarna de musical Fame gedraaid, weer iets wat men op dat moment niet van mij verwachtte. PARKER: Nee. Ze hebben me over hun remakeplannen ook nooit een bericht gestuurd. Geen telefoon, email, niks. Wat onbeleefd was. Iedereen die hem wel heeft gezien vond hem slecht en zegt dat mijn origineel beter is. Ik moet bekennen dat zoiets me wel in zekere mate plezier doet. (grijnst) PARKER: Ik heb er geen behoefte aan. The Wall was toen al geen prettige ervaring. Er was voortdurend ruzie. Omdat er drie mensen waren die dachten dat ze de kapitein op het schip waren. Het was een voortdurend getouwtrek tussen mezelf, hoewel ik aanvankelijk enkel zou produceren, Waters, die op de duur niet meer met mij wilde praten, en Gerald Scarfe, de man achter de animaties uit de film. Scarfe was een geweldige animator, maar elke dag kwam hij op de set toe en trok hij meteen een fles whisky open, omdat hij zich moed moest indrinken. Het is een mirakel dat het resultaat zo goed meeviel en de tand des tijds heeft doorstaan.PARKER:(lacht) Dat viel reuze mee. Beter in elk geval dan mijn cartoon, die hierboven hangt, doet vermoeden. Daarin zie je haar voortdurend 'me, me, me, me, me' zingen, waarop ik haar corrigeer: 'Nee, Madonna. Het is do, re, mi, fa, sol.' (lacht) Ze is een harde werkster, haar prestatie in Evita was prima en mocht ze hier binnenkomen, zou ze zo mee aan tafel schuiven. De meeste mensen met wie ik gewerkt heb, trouwens. Behalve misschien Mickey Rourke, met wie ik in 1987 Angel Heart heb gemaakt. Pas op: Mickey is een schitterende kerel, en toen was hij wellicht de beste leading man van zijn generatie, maar daarna is hij stevig de pedalen verloren. Hoe hij eruitziet tegenwoordig. Ik weet niet eens of hij zich Angel Heart nog wel herinnert. De beste herinneringen hou ik over aan The Commitments, omdat het zalig was om met enthousiaste, jonge muzikanten te werken die we van de straat hadden geplukt. En omdat de film zich afspeelt in eenzelfde soort warm arbeidersmilieu als dat waarin ik opgegroeid ben, met dat verschil dat The Commitments gaat over het Ierland van de late jaren 80. Ook Birdy heeft nog altijd een bijzondere plek in mijn hart. Die film ging weliswaar over een zwaar onderwerp - soldaten die na hun tour of duty in Vietnam kampen met posttraumatische stress - en ik was ook niet zeker of ik de poëzie van het boek waarop het is gebaseerd wel recht kon doen, maar ik vind het nog steeds een van mijn beste films. PARKER: Ik denk het niet. Niet omdat ik geen ideeën meer heb, maar ik ben het beu om constant om geld te moeten bedelen, wat ik de afgelopen jaren te vaak tevergeefs heb moeten doen. De filmindustrie is ingrijpend veranderd. En dan heb ik het niet zozeer over de digitale technologie. De hegemonie van Hollywood is verstikkender dan ooit. In Amerika maakt men enkel nog grote spektakelfilms voor kinderen of adolescenten, en het soort film waar ik van hou - populair, volwassen amusement met een boodschap, zeg maar - krijgt nauwelijks nog kansen. Met de complimenten van Spielberg, Lucas en co. Op regisseren staat bovendien een leeftijdsgrens. Dat moet je onder ogen durven te zien. Je moet fit zijn, op de top van je fysieke en mentale kunnen. Er zijn maar weinig regisseurs die hun beste werk op late leeftijd maken, al zijn er uitzonderingen. Clint Eastwood bijvoorbeeld, of bij ons: Mike Leigh en Ken Loach. Ken is een held. Hij is ouder dan ik maar hij staat nog steeds op de barricades alsof de revolutie nakende is. Ken bestormt al vijftig jaar het Winterpaleis, alleen is hij de enige die nog niet doorheeft dat het inmiddels een Apple Store is. (lacht)PARKER: Met tekenen en schilderen. Daar beleef ik zoveel lol aan dat ik geen tijd heb om het filmen te missen. En ik maak me ook graag druk over Arsenal, de club waar ik ondertussen al 65 jaar voor supporter, hoewel ik al 40 jaar in Chelsea woon. Dit jaar zullen we weer geen kampioen spelen, weet ik nu al, maar ik heb één troost: Chelsea ook niet. (grijnst)