Mooie titel toch, Oh Brother, Where Art Thou? Maar niet door Joel en Ethan Coen zelf verzonnen. Voor hun muzikale komedie met George Clooney als idiote ontsnapte gevangene speelden de filmende broers leentjebuur bij hun grote voorganger, Preston Sturges. In diens beste film, het 77 jaar oude Sullivan's Travels, voerde hij een filmregisseur op die de frivole komedies moe is en zijn zinnen zet op een sociaal drama dat het lijden van de Amerikaanse o...

Mooie titel toch, Oh Brother, Where Art Thou? Maar niet door Joel en Ethan Coen zelf verzonnen. Voor hun muzikale komedie met George Clooney als idiote ontsnapte gevangene speelden de filmende broers leentjebuur bij hun grote voorganger, Preston Sturges. In diens beste film, het 77 jaar oude Sullivan's Travels, voerde hij een filmregisseur op die de frivole komedies moe is en zijn zinnen zet op een sociaal drama dat het lijden van de Amerikaanse onderklasse aan de kaak stelt. Werktitel: 'Oh Brother, Where Art Thou?' Uiteraard - zouden de Coens anders zo'n grote fan van Sturges zijn? - loopt het grondig verkeerd. De regisseur vermomt zich als zwerver om ware armoede aan den lijve te ondervinden maar een legertje Hollywood-helpers maakt hem dat onmogelijk. Als u daarmee eenmaal uitgelachen bent, slaat de satire om in grimmig drama. De regisseur en zijn uitgehongerde vriendin (de betoverende Hollywood-legende Veronica Lake) maken kennis met de bittere realiteit van soepkeukens, daklozenopvang en geketende gevangenschap. De Coens recycleerden niet enkel de film-in-de-filmtitel maar ook meerdere scènes uit Sullivan's Travels. Clooney die op de rijdende trein springt, Clooney die ontsnapt dankzij de dolle autorijkunst van een kind, Clooney in een bioscoop waar plots gevangenen toekomen: de Coens kopieerden het van Sturges en vergoelijkten dat door hun Oh Brother, Where Art Thou? de film te noemen die Sturges gemaakt zou hebben als hij er de kans toe had gekregen. Dat is meer dan gedweep met een regisseur die niet de bekendheid geniet van een Billy Wilder, Howard Hawks of Fritz Lang maar tijdens zijn korte glorieperiode (1940-45) minstens zo geniaal was. De gelijkenissen zijn frappant: er is het uitblinken in regie én scenario, het mixen van satire met slapstick, de juweeltjes van dialogen en het onvervaard van toon en register wisselen. Net als de Coens werkte Sturges met een vaste troep acteurs in bijrollen die de grote vedetten regelmatig van het scherm speelden. Maar de grootste gemene deler moet de onweerstaanbare drang zijn om te grijnzen bij de grillen van het lot, de absurditeiten in ieders bestaan en de onbeholpenheid van de mens. Gaat dat zien!