1 Je typeert Maris als een buitenstaander in het Zeeuwse dorp waar hij opgroeide, net als jij dat was toen je daar vanaf je zevende woonde. Waarom keert Zeeland steeds terug in je boeken?

Oek de Jong: Vanwege het landschap, die zware polders en die woeste zee. En de geur van de aarde, wat mijn Amsterdamse vrienden niet begrijpen. Een boom in de achtertuin is voor hen natuur genoeg. Ik was net zo'n buitenstaander als Maris, al werd ik niet gepest of getreiterd zoals hij. Maar het heeft toch zeker tot mijn veertiende geduurd voor ik mijn eerste echte vriend had. Het was ook rond die leeftijd dat ik besefte dat ik daar niet kon blijven. Ik had er geen toekomst. Ik was geïnteresseerd in kunst en las veel. Ik was wellicht de enige jongen in heel Zeeland die een boek over Picasso bezat. Geen van mijn klasmakkers studeerde verder. Zij gingen bij Rijkswaterstaat werken of zo, maar ik wilde naar de universiteit. Dus ging ik weg, maar dat land en die zee hebben me nooit losgelaten.

2 Het gegeven van een succesvolle kunstenaar die in het verleden een vrouw de dood heeft ingejaagd had ook een moralistisch Michael Jackson-achtig gegeven kunnen blijken. Waarom koos je expliciet niet voor die invalshoek?

De Jong: Omdat ik geen boeken wil schrijven die naar de actualiteit verwijzen. Laat die maar over aan de journalistiek, denk ik dan. Romans die wel op de actualiteit ingaan, hebben trouwens de neiging heel vlug prekerig te worden en over vijf jaar volstrekt passé te zijn. Wat mij interesseert, is welke invloed gebeurtenissen op mensen hebben, hoe zij daardoor geplaagd en getormenteerd worden. Dat Maris zich ook als volwassen man niet op zijn gemak voelt tussen meisjes van veertien, vind ik bijvoorbeeld interessant om uit te werken. De menselijke psyche is zoveel boeiender als je een tijdloos verhaal wilt brengen.

3 Je boek kan ook gezien worden als een bildungsroman, waarin Maris al doende leert hoe je met vrouwen omgaat, toch?

De Jong: Rondom Maris plaats ik inderdaad zeven vrouwen. Van het meisje Matty, over de aan heroïne verslaafde Ilse, met wie hij een dag of vijf optrekt tijdens de hondsdagen van mei '68, en de door polio misvormde Manuela tot Fran, met wie hij al twintig jaar samenleeft. Zij spiegelen hem niet alleen, zij vormen hem ook, en helpen hem ook van zijn trauma af.