De succesformule van Stephen Chow is simpel: kluts bananenschillen-slapstick en martial arts-acrobatieën op een entertainende manier door elkaar, voer jezelf op als de bedrieglijk schlemielige underdog en gun jezelf steeds een romantisch happy-end. In Azië heeft die formule Chow allerminst windeieren gelegd. Met Shaolin Soccer (2001) en Kungfu Hustle (2004) - dat volgende week in België uitgebracht wordt - heeft de inmiddels 43-jarige acteur, regisseur en producent de twee meest succesvolle kaskrakers uit de Hongkongse filmgeschiedenis op zijn curriculum prijken.
...

De succesformule van Stephen Chow is simpel: kluts bananenschillen-slapstick en martial arts-acrobatieën op een entertainende manier door elkaar, voer jezelf op als de bedrieglijk schlemielige underdog en gun jezelf steeds een romantisch happy-end. In Azië heeft die formule Chow allerminst windeieren gelegd. Met Shaolin Soccer (2001) en Kungfu Hustle (2004) - dat volgende week in België uitgebracht wordt - heeft de inmiddels 43-jarige acteur, regisseur en producent de twee meest succesvolle kaskrakers uit de Hongkongse filmgeschiedenis op zijn curriculum prijken. Het levensverhaal van Stephen Chow - Chinese naam: Sing-Chi Chow, voor de fans: Little Stevie - leest als een zero-to-hero verhaaltje in de bovenste beste Hollywood-traditie. De man die recent de cover van Time Magazine sierde, was twintig jaar geleden nog de side-kick op een tv-set voor een komisch kinderprogramma. Toch was hij toen al vastberaden om het - letterlijk - tot vedette te schoppen, want als rabiate Bruce Lee-fan oefende hij elk vrij moment de Wing Chun, de kungfu-stijl waarmee zijn idool zich indertijd de onsterfelijkheid invocht. Chow moest uiteindelijk tot in 1989 geduld en krijgsposes oefenen voor hij zijn talenten als komiek, martial arts-kampioen en leading man ook aan een breed publiek kon tonen. Toen hij aan de zijde van Chow Yun-fat, de fetisjacteur van actiegoeroe John Woo, zijn kans kreeg in de actieparodie All For The Winner rees zijn ster meteen boven het filmfirmament van Hongkong uit. Een even succesvolle sequel en een handvol populaire martial arts-parodieën ( Fist of Fury, From Beijing with Love) later zat Aziës nieuwste kungfu-keizer definitief op zijn troon. In 2001 perfectioneerde Chow - die vanaf 1994 ook zelf begon te schrijven, produceren en regisseren - zijn hybride mix van actie, humor en sport met de voetbal annex kungfu-komedie Shaolin Soccer. Daarin lengde hij voor het eerst zijn kwieke actiesequensen - met dank aan de legendarische actiechoreograaf Tony Ching Siu-Tung - aan met blitse CGI waardoor hij voortaan ook Matrix-gewijs en in bullit-time door het luchtruim kliefde. De film was goed voor een inlands box-officerecord van 60 miljoen dollar én - van zodra de kassa's rinkelen overzees schieten ook de omnivoren van Hollywood wakker - een internationale distributiedeal met Harvey Weinsteins Miramax. Helaas: de Aziatische hype resulteerde in Amerika niet in een raid op de bioscopen, iets waarop Miramax nochtans had gehoopt na de commerciële revival van de martial arts-flick na Ang Lees Crouching Tiger, Hidden Dragon (2000). 'Eigen schuld, dikke bult', moet de zelfverzekerde Chow hebben gedacht: Miramax had Shaolin Soccer twee jaar in de ijskast gestopt (de film werd er pas in 2003 uitgebracht), bijna dertig minuten uit het origineel geknipt en 'm bovendien ook nog eens in een Amerikaans gedubde versie in de bioscopen gedropt. Chow heeft er zijn slaap niet voor gelaten, en is gewoon op zijn elan doorgegaan. Met zijn nieuwste, dit keer door Sony Pictures verdeelde actiekomedie Kungfu Hustle, heeft hij eindelijk een wereldwijde hit te pakken. De film brak vorig jaar alle kassarecords in Hongkong, met een opbrengst van 60 miljoen dollar en 6 Hongkong Film Awards. Bovendien kreeg de film in de VS de grootste release ooit voor een niet-Engelstalige film, hoewel - eerlijk is eerlijk - Chow ook deze keer niet tot in de nok van de billboards wist te klimmen. Lijkt het woord 'hype' voorlopig nog te hoog gegrepen, dan mag Kungfu Hustle - over de jolige strijd in het Shangai van de jaren dertig tussen een gangstertriade en een wijk vol assertieve burgerkarikaturen - toch op zijn minst een exotisch curiosum worden genoemd. Niet zozeer omwille van de Kantonese voertaal, wel omdat de frenetieke actiescènes en hard om zich heen meppende slapstickgrollen uitgetekend werden door Yuen Wo-Ping, en hij is niet van de minste: de invloedrijke actiechoreograaf reeg vanaf de jaren zeventig de kungfu-klassiekers aan elkaar en kickte zich later een weg richting Hollywood met The Matrix-trilogie en Tarantino's Kill Bill. Het gros van de recensies - de onze weliswaar niet inbegrepen - is laaiend positief, met als uitschieters een zeldzame vijfsterren-quotering door de BBC en het goedkeurend gebrom van Roger Ebert, Amerika's populairste filmcriticus. Die omschreef Kungfu Hustle na de première op het Sundance Festival als 'een entertainende mix tussen Jackie Chan, Buster Keaton, Quentin Tarantino en Bugs Bunny'. Het is maar dat u het weet. Dave Mestdach