Steven Soderbergh is een workaholic. Niet alleen maakt hij enorm veel films en tv-reeksen, op de sets van zijn producties doet hij het liefst ook zo veel mogelijk zelf. Om niet met alle eer te gaan lopen, gebruikt hij zelfs pseudoniemen als Peter Andrews en Mary Ann Bernard...

Steven Soderbergh is een workaholic. Niet alleen maakt hij enorm veel films en tv-reeksen, op de sets van zijn producties doet hij het liefst ook zo veel mogelijk zelf. Om niet met alle eer te gaan lopen, gebruikt hij zelfs pseudoniemen als Peter Andrews en Mary Ann Bernard om ook als cameraman en monteur op te kunnen treden. Dat draait niet altijd even goed uit, maar wel bij No Sudden Move. Ed Solomons scenario, dat tjokvol kleurrijke personages en uitwaaierende verhaallijnen zit, is Soderbergh immers op het lijf geschreven. In deze vintage neonoir volgt hij Curt en Ronald, twee criminelen die met evenveel sérieux als ironie vertolkt worden door Soderbergh-habitués Don Cheadle en Benicio del Toro. In het sfeervol geschetste Detroit van 1954 raken zij verwikkeld in een warrig complot, waarin zowel georganiseerde misdaad, institutioneel racisme en de vervuilende autoindustrie samenkomen. Hierdoor gaat No Sudden Move alle kanten op en rijdt de film zich vaker dan nodig klem. Maar dankzij Soderberghs verleidelijke camerawerk - inclusief kenmerkende fish-eyeshots - en het spelplezier van de ensemblecast voelt deze periodeschets toch vooral als een geslaagde mix van klassieke film noir en Soderberghs eigen misdaadkomedies als Ocean's 11.