Patrick Duynslaegher
...

Patrick DuynslaegherDe bloeiende jonge Japanse cinema levert niet alleen een festijn van ontdekkingen op het internationale festivalcircuit, maar ook een parade van moeilijk te onthouden voor- en familienamen. Daarom zetten we de tenoren van de jonge Japanse op een rij.Hirokazu Kore-Eda (1962, Tokio) Wisselt het maken van documentaires af met speelfilms waarin zijn documentaire vorming merkbaar doorsijpelt. Vestigde zijn naam met Maboroshi (1995) en het wondermooie After Life (1996). Zijn jongste film, Distance, toont de pelgrimstocht naar een afgelegen meer van vier vrienden die geliefden verloren tijdens een rituele massazelfmoord van een religieuze sekte. Kiyoshi Kurosawa (1955, Hyogo) Onder de regisseurs van de nieuwe lichting is hij al een veteraan. Hij maakte zijn eerste film in 1983, maar beleefde zijn doorbraak pas halverwege de jaren '90 en legt de jongste jaren een ongeziene activiteit aan de dag: dertien films in vijf jaar tijd. Kurosawa (niet te verwarren met zijn beroemde naamgenoot Akira Kurosawa) springt met gemak van het ene genre naar het andere, van serial killer 'double feature' Serpent's Path en The Eyes of the Spider naar ecologische fabel over een mystieke boom, Charisma. Maar altijd weet hij zowel onderwerp als stijl naar zijn hand te zetten. Zijn jongste film Kaïro is een 'ghost-story' rond een computervirus. Masahiro Kobayashi (1954, Tokio) Niet te verwarren met zijn illustere naamgenoot Masaki Kobayashi, de inmiddels overleden maker van de legendarische spookfilm Kwaidan. De nieuwe Kobayashi is een vaste klant op het festival van Cannes, maar zijn films ( Bootleg Film, Koroshi, Aruku-Hito) halen zelfs nauwelijks het 'art house'-circuit. Nobuhiro Suwa (1960, Hiroshima) Je kunt hem herkennen aan de 'grafische' titels van zijn films: 2/Duo, M/other en H Story, een film-in-de-film over het draaien van een remake van Hiroshima mon amour van Alain Resnais. Nobuhiro werd al op vroege leeftijd beïnvloed door de New Yorkse Undergroundbeweging van Stan Brakhage en Jonas Mekas en zijn eigen films laten dan ook ruimte voor improvisatie en experiment. Ryosuke Hashiguchi (1962, Nagasaki) Hashiguchi heeft het in zijn subtiel gemoduleerde films ( A Touch of Fever, 1992; Like Grains of Sand, 1995) over tieners en studenten die worstelen met hun homoseksualiteit. Zijn derde bioscoopfilm Hush! gaat over een driehoeksrelatie tussen een jong homopaar en een meisje dat van een van de vrienden een kind wil. Naomi Kawase (1969, Nara) Na diverse documentaires debuteerde Kawase in 1997 met het felopgemerkte Suzaku (Caméra d'or op het festival van Cannes), het portret van een stervende familie in een vervallen bergdorp. Ook in haar nieuwste film Hotaru onderzoekt ze thema's als traditie en herinnering. Shinya Tsukamoto (1960, Tokio) De cultfilmer Tsukamoto dankt zijn faam aan zijn grillige en vaak uitzinnige cyberpunkfilms Tetsuo/Iron Man (1989) en Tetsuo II/Body Hammer (1991). Met Gemini verruilde hij zijn obsessie met mutanten (ook het onderwerp van zijn meest gestileerde experiment, Bullet Ballet) voor een bevreemdende horror-variant op de Japanse 'ghost-story'. Patrick Duynslaegher