Vijf omschrijvingen had Irène nodig om Molenbeek in een notendop te vatten. 'Vuil, niet proper, niet net, smerig en geen discipline.' Vijf omschrijvingen die samen een hand vormden die ze ferm opstak naar de mensen achter de camera. 'Dat is vijf keer hetzelfde', merkte Eric Goens ergens niet te ver buiten beeld op.
...

Vijf omschrijvingen had Irène nodig om Molenbeek in een notendop te vatten. 'Vuil, niet proper, niet net, smerig en geen discipline.' Vijf omschrijvingen die samen een hand vormden die ze ferm opstak naar de mensen achter de camera. 'Dat is vijf keer hetzelfde', merkte Eric Goens ergens niet te ver buiten beeld op. Irène woont al veertig jaar met haar man Jean in de concièregewoning van vierdeklasser RWDM, een voetbalploeg die in haar carrière meer neergang dan hoogtepunten heeft gekend. Al veertig jaar woont ze er tegen haar goesting. 'Het is hier het buitenland.' Ze sprak buitenland zo uit dat het duidelijk werd dat dit niet het benijdenswaardige buitenland van palmbomen, hagelwitte stranden en de boulevard in Cannes was, maar het verfoeilijke buitenland waar gewoon te veel buitenlanders zijn om je thuis te voelen. Drie maanden had Goens naar eigen zeggen een kamer in Molenbeek gehuurd, een gemeente waar hij tot dan enkel 'met automatisch vergrendelde autodeuren' door reed. Na de aanslagen in Parijs wilde hij een poging tot antwoord formuleren op de vraag: 'Wie, wat, waar, waarom in Molenbeek?' In tegenstelling tot de buitenlandse cameraploegen die er even plots weer vertrokken als ze er waren neergestreken en iedere man en vrouw in de straat een microfoon onder de neus hadden geduwd met die pertinente vraag, hoopte Goens door een langdurig verblijf dieper in het weefsel van deze gemeente tussen kanaal en snelweg door te dringen. Hij viel niet binnen bij mensen, maar hij tastte af; hij zocht eerder informatie dan sensatie. Hij keerde minder met antwoorden dan met verhalen terug, netjes verpakt in de couleur locale van een garagist, een slager, een imam, twee burgemeesters, een grafdelver, een bokser en een politie-inspecteur. Vooral de trotse en karikaturale slager Mohammed Bouzerda nam hem op sleeptouw. Hij toonde Goens hoe hij Marokkaans gehakt op vaders wijze bereidt en reikte hem op vrijdag de hand om samen naar de moskee in de omgebouwde parkeergarage te gaan. Daar maakte Goens kennis met de zeer conservatieve imam Toujgani die na twintig jaar in België nog steeds geen van de drie landstalen spreekt, iets waarvoor hij zich uitgebreid verontschuldigde. 'Ik dacht niet dat ik hier zou blijven.' Maar verder, liet zijn vertaler goedlachs weten, mocht - nee: móést - Goens alles vragen wat hij wilde. Zonder vragen geen kennis en al helemaal niet de antwoorden waar Goens hier achter elke hoek van de straat naar zocht. Of de Koran het toelaat dat je een mens doodt? De imam schudde hevig het hoofd. Ik weet niet wat Goens als antwoord had verwacht. Dat die imam met een kalasjnikov was beginnen te zwaaien en 'dood aan alle ongelovigen' had geroepen? Ongemak, maar ook relativering, dat is wat bovendrijft in Molenbeek. De garagist die het familiebedrijf van drie generaties overnam, stelde onomwonden dat het in de jaren negentig erger was. Iets wat Goens moeilijk kon geloven, alleen: hij kampeerde hier toen niet. Want zou het kunnen dat Molenbeek in al zijn compactheid toch te groots is om in drie maanden te leren kennen? En dat de antwoorden - zoals steeds - vooral afhangen van de mensen met wie je praat? Want waar zijn de vrouwen en de jongeren in het Molenbeek van Goens? Misschien zegt de vierdelige reeks evenveel over de maker als over de gemeente zelf. Sommigen hebben een leven nodig om iets te doorgronden, anderen hebben aan drie maanden genoeg. ***, één, elke maandag, 20.35 DOOR TINE HENSMISSCHIEN ZEGT MOLENBEEK EVENVEEL OVER DE MAKER VAN DEZE REEKS ALS OVER DE GEMEENTE ZELF.