De Londense National Portrait Gallery noemt de tentoonstelling Vanity Fair Portraits, waar 150 beelden uit het beroemde Amerikaanse tijdschrift verzameld zijn, een 'culturele geschiedenis van de portretfotografie in de 20e eeuw'. Dat kan een beetje vreemd klinken, want het magazine heeft niet eens de helft van die eeuw bewust meegemaakt. Vanity Fair ging van start in 1914, als een kroniek van het culturele leven in de VS, met aandacht voor kunst, sport, toneel, film en politiek. Het tijdschrift introduceerde Picasso, Matisse of Gauguin aan het Amerikaanse publiek, zette zijn pagina's open voor auteurs als Dorothy Parker, D.H. Lawrence en T.S. Eliot, en wedijverde in de roaring twenties met The New Yorker om de titel 'meest prestigieuze magazine van de V...

De Londense National Portrait Gallery noemt de tentoonstelling Vanity Fair Portraits, waar 150 beelden uit het beroemde Amerikaanse tijdschrift verzameld zijn, een 'culturele geschiedenis van de portretfotografie in de 20e eeuw'. Dat kan een beetje vreemd klinken, want het magazine heeft niet eens de helft van die eeuw bewust meegemaakt. Vanity Fair ging van start in 1914, als een kroniek van het culturele leven in de VS, met aandacht voor kunst, sport, toneel, film en politiek. Het tijdschrift introduceerde Picasso, Matisse of Gauguin aan het Amerikaanse publiek, zette zijn pagina's open voor auteurs als Dorothy Parker, D.H. Lawrence en T.S. Eliot, en wedijverde in de roaring twenties met The New Yorker om de titel 'meest prestigieuze magazine van de VS'. Toen de Grote Depressie in de jaren 30 toesloeg, moest het tijdschrift echter de activiteiten staken en pas in 1983 kreeg Vanity Fair een tweede leven als 'a fun magazine for the very, very highbrow'. Ondanks dat relatief korte bestaan is de omschrijving van Vanity Fair Portraits toch niet echt overdreven. Het blad heeft van bij het begin zeer veel aandacht besteed aan zijn look en trok de grootste fotografen aan, van Edward Steichen en Cecil Beaton in de beginperiode, tot Herb Ritts, Mario Testino en Annie Leibovitz na de verrijzenis in 1983. Wie door de jaargangen van Vanity Fair bladert, ziet de belangrijkste stijlen en trends in de fotografie passeren, en veel iconische foto's van filmsterren, politici en andere beroemdheden zijn voor het eerst verschenen in het tijdschrift. Bovendien heeft geen enkel ander magazine de glamour van Hollywood zo over de hele wereld verspreid. Vanity Fair is immers niet zomaar een tijdschrift over Hollywood, het is een deel van Hollywood zelf. Kijk bijvoorbeeld eens naar het beeld hierboven. Welk ander magazine kan het budget (je kunt er in Vlaanderen een klein huis mee kopen) vrijmaken om een foto als deze te nemen? En vooral: welk magazine zou zoveel beroemdheden samen kunnen brengen om te poseren voor een cover? Maar dat is nu eenmaal de positie van Vanity Fair in Hollywood: iedereen die iets te betekenen heeft in de filmindustrie wil erin komen, en als je als acteur of actrice een paar succesvolle films op je naam hebt en je hebt nog geen telefoontje gekregen, dan moet je dringend op zoek naar andere pr-verantwoordelijken. Of zoals Graydon Carter, de huidige hoofdredacteur zegt: 'It's not who you put in the magazine that's important, it's who you leave out.' Hetzelfde geldt voor de Oscar Party, een exclusief feest dat het tijdschrift organiseert na de uitreiking van de Academy Awards. De eerste editie vond plaats in 1994 en sindsdien is het feest uitgegroeid tot een evenement waar 'le tout Los Angeles' op aanwezig wil zijn. 'Een uitnodiging voor de Oscar Party is meer gewild in Hollywood dan een uitnodiging voor de Oscars zelf', schrijft de Britse journalist Toby Young in How To Lose Friends and Alienate People, zijn boek over zijn korte carrière bij het tijdschrift. (Vanwege de staking in Hollywood is het feest dit jaar trouwens afgelast.) Vanity Fair is natuurlijk meer dan het pr-magazine van de filmindustrie, het brengt ook zeer gedegen en lange journalistieke stukken over allerlei maatschappelijke onderwerpen. Het was hier dat Jeffrey Wigand voor het eerst een boekje opendeed over de Amerikaanse tabaksindustrie - in een artikel dat later verfilmd werd tot The Insider - of dat in 2005 de naam werd onthuld van Deep Throat, de legendarische bron van Woodward en Bernstein tijdens het Watergateschandaal. En de afgelopen jaren bleek het tijdschrift vaak een van de felste critici op het beleid van George Bush en de oorlog in Irak, vooral onder impuls van Graydon Carter, een fervente Bushhater. (Enkele jaren geleden verving die bijvoorbeeld zijn wekelijkse opiniestuk door de namen van de soldaten die gesneuveld waren sinds de president zijn overwinning op het regime van Saddam Hoessein uitriep.) Maar als Vanity Fair de geschiedenis zal ingaan, dan is het toch vooral dankzij de vele legendarische foto's, en als tijdschrift dat de droom genaamd Hollywood een gezicht en een look heeft gegeven. Door Stefaan Werbrouck