Door Kurt Blondeel

The Bony King Of Nowhere begon omstreeks 2004 als de voornaamste slaapkameractiviteit van de wat teruggetrokken Bram Vanparys. Groepsleden, songideeën en probeersels kwamen en gingen, maar samen met producer Koen Gisen blikte Vanparys een elf liedjes sterk visitekaartje in waaruit al heel wat standvastigheid blijkt.

Stond je een welbepaald doel voor ogen toen je in je eentje aan muziek begon te werken?

Bram Vanparys: ( Haast verontschuldigend) Neen. Ik deed maar iets. Nog steeds, trouwens. De enige norm was: het moet góéd zijn. Al besef ik best hoe cliché dat klinkt. Toen we in 2006 de talentenjacht De Beloften wonnen, was er nog veel werk aan de winkel. We hebben moeten leren wat live werkt en wat niet, en dat kon alleen door veel fouten te maken. Met drums optreden zonder bassist, bijvoorbeeld. Dat kan als je redelijk heavy speelt, zoals The Blackbox Revelation, maar in mijn muziek sloeg dat echt een gat.

Viel het mee om vanuit die eenzame, weifelende positie de stap naar het podium te zetten?

Vanparys: Mja, als je kansen krijgt, moet je die grijpen, dacht ik maar. Hoewel ik daarin geen dommerik ben. Toen ik een aanvraag voor Pukkelpop kreeg, was mijn eerste reactie: no way! Ik was er namelijk van overtuigd dat we nog niet goed genoeg waren. Bijna vier maanden lang ben ik er zo over blijven denken. Tot ik uiteindelijk toch, tja, gezwicht ben. ( Glimlachje) Pukkelpop is ook maar Pukkelpop, hé. Was ik daar absoluut niet goed geweest, had ik echt niet al mijn pijlen verschoten.

Je hebt ooit in Hasselt je demo in de handen van Devendra Banhart gestopt. Waarom hij, en niet - ik noem maar iemand - Regi van Milk Inc.?

Vanparys: ( Droog) Ik heb nog getwijfeld, hoor. Maar Regi was toch iets onbereikbaarder. En waarom? In die dagen voelde ik me sterk met Devendra Banhart verbonden. Zijn muziek was een openbaring voor mij. Hij vertrok immers van pure eenvoud: aan twee akkoorden had hij genoeg voor een nummer. Net wat ik probeer te doen.

Later heeft hij je een brief gestuurd.

Vanparys: Ja, maar laten we dat vooral niet overroepen. Het was gewoon een kladbriefje met de woorden: ' Thanks for the music. If you have any new songs, I'd like to hear them.' Dan nog z'n adres en ' Love, Devendra Banhart', en dat was het zowat. Eigenlijk had ik aan Will Oldham willen vragen om op mijn plaat iets in te zingen. Daar is hij meestal wel voor te vinden, en bovendien wist ik hoe ik hem kon bereiken. Maar ik word nu al zo veel met Bonnie 'Prince' Billy vergeleken, dat ik van dat idee afgestapt ben. Zeker wat mijn plaat betreft, vind ik het trouwens een onterechte vergelijking.

Waarom koos je voor de naam 'The Bony King Of Nowhere' - een deel van een songtitel van Radiohead?

Vanparys: Omdat dat heel goed de lading dekte van wat ik toen met mijn muziek deed. Ik zie daar een beetje een Don Quichote-achtige figuur in, een Petit Prince ook: iemand die heel naïef en dromerig naar het leven kijkt.

De song 'Maria' gaat over iemand die op een heel vredige manier sterft. Denk je wel eens over de dood na?

Vanparys: Totaal niet. Ik herinner me dat die tekst heel vlot kwam, op tien minuten. Ik schreef maar wat, vanuit mijn onderbewuste waarschijnlijk, en blijkbaar ging dat over een mens die aan het doodgaan was. De heilige maagd Maria komt op bezoek, zegt dat het oké is om te gaan, terwijl de engelen al wenken. Zo stil de ogen sluiten lijkt mij een supermooie dood. Er was met dat nummer iets vreemds aan de hand. Ik was nog op zoek naar een specifieke gitaar, toen ik op het internet een aanbod vond dat te mooi was om waar te zijn. Het was wel degelijk de prijs, zei die man toen ik later bij hem thuis langsging. Hij was jazzgitarist, en nu komt het: hij had niet lang meer te leven. Bizar toch hoe iets wat ik had geschreven plots zo veel betekenis kon krijgen.

De prachtige hoesfoto is er eentje van de Noorse fotograaf Jonas Bendiksen, gemaakt tijdens een reportagereis doorheen de voormalige Sovjet-Unie.

Vanparys: Het leek mij meteen een geschikt beeld: een beetje magisch-realistisch met al die rondfladderende vlinders. Ik herinner me van diezelfde reeks ook nog een foto van dode koeien langs de oever van een rivier. Ook heel sterk, maar dode koeien vond ik toch minder bij mijn muziek passen. ( Grijnst) Toen ik ontdekte dat de fotograaf voor Magnum werkt, dacht ik: oei, ofwel kan ik naar zijn toestemming fluiten, ofwel zal het mij een bom geld kosten. Anderzijds: als ik mijn zinnen eenmaal op iets heb gezet, móét ik dat hebben. Ik heb die man dus opgebeld - zijn telefoonnummer vond ik gewoon op zijn website. Nadat hij enkele premixes van de plaat had gehoord, heeft hij vlot zijn zegen ge-geven.

Wat wou je als kind 'later' worden?

Vanparys: Tot mijn veertiende: ornitholoog. Wat in feite nog steeds een optie is. Natuur boeit me evenveel als muziek, maar ook weer niet méér. Tussen de bergen staan komt voor mij op emotioneel vlak overeen met het beluisteren van een goede plaat.

Was je al op weg om een vogelkenner te worden?

Vanparys: Niet echt. Goed, ik was wel aan een vogelgids begonnen, omdat ik daarin een groot gat in de markt zag. Ik wilde er namelijk eentje waarin echt álles stond: niet alleen een afbeelding van pakweg een grote bonte specht, maar ook zijn skelet, zijn pluimen, zijn pootafdruk enzovoort. Dat vond je nergens, en daar zou ik eens voor zorgen. Maar veel verder dan de grote bonte specht ben ik niet geraakt. ( Grijnst) Skeletten in elkaar zetten, knutselen en prutsen: dat doe ik graag. Waarmee ik niet gezegd wil hebben dat muziek voor mij bezigheidstherapie is. Wees gerust: dit boeit me écht.

ALAS MY LOVE

Op 23/2 uit bij Helicopter.