Eerste zin Ik nader mijn bestemming, steek mijn telefoon weg en zoek de huisnummers af.
...

Eerste zin Ik nader mijn bestemming, steek mijn telefoon weg en zoek de huisnummers af. Rochus is fietskoerier. Van 's ochtends tot 's avonds rijdt hij door het drukke Amsterdam en daarbij maakt hij zich meer dan eens kwaad, op de auto's die hem snijden, maar ook op de jonge moeders met een bakfiets peuters die steevast het fietspad blokkeren. Ooit studeerde hij filosofie en had hij een vaste relatie, maar zowel met studie als relatie lukte het niet, het eerste omdat hij niet burgerlijk wilde zijn, het tweede omdat hij het niet kon, omdat hij de kinderwens van zijn geliefde niet kon bevredigen. Dus rijdt hij rond door de stad, doet hij af en toe een toeriste een pleziertje met een foto voor het Anne Frank-huis, ziet hij hoe een dakloze het broodje dat hem aangeboden wordt uit de hand van een onbekende weldoener slaat en kan hij zijn lach niet bedwingen wanneer op een bouwwerf de deur van een Dixie openvalt en een bouwvakker opeens voor de hele straat te kakken zit. Maar diep vanbinnen rouwt Rochus om het verdwijnen van zijn vriend Sjako, de milde anarchist, nachtbraker, langslaper, kleine ondernemer en would-bekunstenaar die de kunstacademie binnenraakte met De dromer, een variant op Rodins Denker, maar dan zonder hoofd. Samen met Sjako is de onschuldige levenslust verdwenen. Maar dan stelt Alma, Rochus' nieuwe vriendin, voor samen naar Lesbos te reizen, om er als vrijwilligers aan de slag te gaan in een vluchtelingenkamp. In Midzomer, stadsmoe betoont Bernard Wesseling zich een schrijver die van vele markten thuis is. In de Amsterdamse scènes lijkt hij wel een repeteergeweer. De rake beelden vliegen je om de oren en meermaals barst je luidop in lachen uit. Eenmaal op Lesbos slaat de sfeer helemaal om en blijkt Wesseling ook meester in een veel beheerster toonkader. De dijenkletsers maken plaats voor milde ironie, maar de zinnen vloeien nog steeds als Griekse olijfolie. Geloofwaardigheid lijkt Wesselings eerste bekommernis te zijn, zonder in een belerende moraal te vervallen, en dat doel heeft hij bereikt. Na zes weken Lesbos is Rochus een ander man geworden, maar tezelfdertijd is hij ook zichzelf gebleven, die geboren fietskoerier die sakkert en bekritiseert, maar net dat ietsje minder, alsof hij ingezien heeft dat het ook allemaal veel slechter zou kunnen zijn.