Gus Van Sant met Tim Streeter, Doug Cooeyate, Ray Monge
...

Gus Van Sant met Tim Streeter, Doug Cooeyate, Ray Monge Meer dan 25.000 dollar had Gus Van Sant voor zijn zwart-witdebuut in 1985 niet te besteden en naar verluidt zagen de (volslagen onbekende) acteurs zelfs nooit hun geld. Maar toen al kon men een groot en eigenzinnig talent bespeuren in de maker. Wat de latere meesterregisseur van Drugstore Cowboy (1988), My Own Private Idaho (1991), To Die For (1995), Good Will Hunting (1997) en Elephant (2003) in dit op 16 millimeter gedraaide en al na 72 minuten afklokkende filmpje klaarspeelt, is namelijk niet min: uit een futiel gayverhaaltje een aandoenlijk tranche de vie distilleren dat nu eens speels en poëtisch, dan weer ruw en grimmig aanvoelt, ergens dromerig tussen Clerks en Accatone in zweeft en die ook al een geheel eigen visuele schriftuur verraadt. Let maar op de versnelde shots van voorbijglijdende wolkenslierten of bizarre close-ups van objecten, Van Sants voorliefde voor het benepen 4/3-beeldformaat, de bizarre, bruusk wisselende ritmes of de impressionistische montagestijl: kenmerken die in het latere werk van de filmende popkunstenaar, beeldenstormer en ex-reclamejongen steeds nadrukkelijker op de voorgrond zullen treden. Dat er weinig gebeurt in Van Sants losjes op een novelle van straatdichter Walt Curtis gebaseerde debuut - over een jonge winkelbediende die een liquor store uitbaat in de achterbuurten van Portland, Oregon - vormt geen enkel bezwaar. Niet de seksuele avontuurtjes van dandy Walt ( pretty boy Tim Streeter) of zijn vergeefse pogingen om de piepjonge Mexicaanse immigrant (Doug Cooeyate) in bed te krijgen, terwijl die meer interesse toont voor Walts zuster Betty, zijn belangrijk. Wel de steelse blikken, melancholische verzuchtingen en anti-burgerlijke levensstijl van de outsiders die Van Sant op een bijna voyeuristische manier vastlegt. Alsof hij de kijker liefdevol tracht mee te nemen op een walk on the wild side langs junks en alcoholici, rondlummelende kids, dagdromende twentysomethings en schandknapen. Dat het invloedrijke filmorakel Pauline Kael Mala Noche in The New Yorker de hemel in prees vanwege zijn 'authentieke, grungy schoonheid' en 'wonderlijk vliedende, groezelige look' hoeft dan ook niet te verbazen. Maar ga vooral met eigen ogen ontdekken wat Kael tot haar wollige lofzang inspireerde. Met die critici weet je maar nooit. Dave Mestdach