Claude Chabrol met Ludivine Sagnier, Benoît Magimel, François Berléand
...

Claude Chabrol met Ludivine Sagnier, Benoît Magimel, François Berléand De kans dat nouvelle-vagueveteraan Claude Chabrol zich op zijn 77e compleet heruitvindt is natuurlijk klein, maar dat hoeft geen reden tot klagen te zijn. Net als in de meeste van zijn 54 vorige, klokvast om de twaalf maanden afgeleverde langspelers haalt Chabrol ook dit keer immers met sardonisch genoegen zijn dada's boven. En dat zijn tot nader order: zijn venijnige kijk op de (machts)geile bourgeoisie, zijn laconieke spel met de conventies van het moordmysterie, een blik lichtjes ridicule namen én zijn perfecte gevoel voor timing dat vooral in de meest eenvoudige dialoogscènes vaak subtiel op de lachspieren werkt. Hoewel Chabrol zich liet inspireren door een infame societymoord uit 1906 - meer bepaald die op Stanford White, de architect van Madison Square Garden (al eerder verfilmd in The Girl in the Red Velvet Swing van Richard Fleischer) - en de titel een bloedige bedoening doet bevroeden, gaat het er als vanouds bedrieglijk koket en geraffineerd aan toe. Het gehalveerde meisje waarvan sprake is de verrukkelijke Ludivine Sagnier, de blonde nimf uit Ozons Swimming Pool. Ze vertolkt het tv-weermeisje Gabrielle Deneige (wier naam zowel haar puurheid als haar beroepskeuze weerspiegelt), dat twee wanhopig verliefde mannen aan haar poezelige voetjes heeft: de veel oudere, licht zelfingenomen successchrijver Charles Saint-Denis (Noiretlookalike Berléand), die weinig geheimen maakt van zijn buitenechtelijke affaires; en de jonge, onvoorstelbaar zelfingenomen rijkeluiszoon Paul Gaudens (Chabrol-habitué Magimel) die dusdanig veel vieux argent heeft geërfd dat hij in ongeveer elke scène opdraaft in een gloednieuw maatpak met bijbehorende pochetroos. Wat volgt, is een bitterzoet, bijna cynisch naar een moorddadige anticlimax toesluipend duel tussen de twee rivalen waarmee Chabrol vooral de hypocrisie, seksuele mores, Gallische maniërismen en emotionele corruptie van zowel nouveaux als vieux riches aan de kaak stelt. De aankleding daarbij is trouwens vintage Chabrol: zo valt er sober maar prima camerawerk te genieten van vaste opnameleider Eduardo Serra, zijn er de ironische en puntige klassieke intermezzi van huiscomponist en zoon Matthieu Chabrol én typische karikaturale toetsen. Een béétje licht en routineus misschien om echt bij de grand cru-Chabrols te worden gezet; maar wel het soort heerlijk satirisch vakmanschap waarvoor je vrolijk de Marseillaise fluitend richting bioscoop trekt. Dave Mestdach