Een budget van zestig miljoen euro, imposante historische decors, spektakelscènes met honderden figuranten én een Engelstalige cast met toppers als Dustin Hoffman en Alan Rickman: überproducer Bernd Eichinger heeft duidelijk kosten noch moeite gespaard om van zijn droomproject een succulent staaltje prestigecinema te maken. Perfume: The Story of A Murderer is dan ook het voorlopige kroonjuweel van de heroplevende Duitse filmindustrie die haar comeback in 1998 inzette met een andere film van Tom Tykwer: de energieke technothriller Lola Rennt. Sindsdien rijgen de Duitsers de voltreffers weer aan elkaar en spelen ze voor het eerst sinds de jaren 70 - de hoogdagen van Fassbinder, Herzog, Schlondorff en de Neue Deutsche Kino - ook op de internationale bühne opnieuw een rol van betekenis.

Toppers uit het recente Teutoonse aanbod zijn: de sociaal geëngageerde tragikomedies Good Bye Lenin (Wolfgang Becker, 2003), The Edukators (Hans Weingartner, 2004) en Gegen die Wand (Fatih Akin, 2004), een handvol beladen drama's waarin het naziverleden onder de loep genomen wordt zoals Der Untergang (Oliver Hirschbiegel, 2004) of Sophie Scholl (Marc Rothemund), literatuurverfilmingen als Das Experiment (Hirschbiegel, 2001) of Elementarteilchen (Oskar Roehler, 2006), aangevuld met diverse auteursfilms als Der Krieger und Die Kaiserin (Tom Tykwer, 2000) of Schultze Gets the Blues (Michael Schorr, 2003).

Een rode draad of een eenduidige verklaring voor de Kino-revival valt niet meteen te bespeuren, al doet boegbeeld en Gouden Beerlaureaat Fatih Akin toch een suggestie. 'De jonge filmmakers zijn zich de jongste jaren als outsiders beginnen te gedragen binnen hun eigen filmcultuur. Ze voelen niet langer de behoefte om heimatfilms te maken of de stijl van de grote voorbeelden als Fassbinder of Herzog te volgen. Eindelijk vertellen ze persoonlijke verhalen en geven ze hun persoonlijke kijk weer op de geschiedenis of de wereld van vandaag. Het is niet langer cinema om de cinema, maar bezielde beeldenstormerij.' In Gent staan maar liefst 12 Duitse films op het programma, waarvan wij deze drie alvast met stip in onze agenda noteerden.

Requiem (Hans-Christian Schmid)

Dezelfde ware gebeurtenissen uit 1976 als waarop eerder al de Amerikaanse reli-horrorfilm The Exorcism of Emily Rose werd gebaseerd, resulteren in de Duitse versie van Hans-Christian Schmid in een potent psychodrama dat vooral inzoomt op het psychologische conflict. Hier geen krakende vloeren of satanische verschijningen, maar diepe twijfels en epileptische aanvallen die een jonge, streng gelovige vrouw (Sandra Hüller) doen besluiten zich te onderwerpen aan een exorcismeritueel. Goed voor een Zilveren Beer en de Fipresci-prijs op de jongste Berlinale én flink wat koude rillingen.

Knallhart (Detlev Buck)

Centraal in dit teenage-white-thrashdrama staat Michael, een 15-jarige jongen die samen met zijn moeder naar een grauwe Berlijnse buitenwijk is verhuisd en op zijn nieuwe school ook nog eens wordt afgeperst en -gerost. Als we Variety mogen geloven: een vanuit de losse pols gefilmd sociodrama, geinjecteerd met een flinke scheut straathumor en realistisch geweld.

Der Freie Wille (Matthias Glasner)

'Een psychologisch drama over de relatie tussen een uit de psychiatrie ontslagen ex-verkrachter en een misbruikte vrouw.' Een vrolijke zit belooft Der Freie Wille, afgaand op de synopsis, niet te worden (en met zijn 163 minuten al evenmin een korte). Toch hebben de meeste critici het over een aangrijpende, intens vertolkte film die tijdens de Berlinale alvast niet onopgemerkt voorbijging, getuige de prijs voor hoofdrolspeler Jürgen Vogel.

(D.M.)