Eerste zin De ochtend die zou eindigen met mijn tweede moment van hoop in meer dan dertig jaar begon beroerd.
...

Eerste zin De ochtend die zou eindigen met mijn tweede moment van hoop in meer dan dertig jaar begon beroerd. Samen met twee oude vrouwen en twee gekke mannen is Lipa achtergebleven in een klein, moeilijk te bereiken dorpje op een eiland ergens in het zuiden. Ooit was het een toeristisch paradijs, met hotels in de jungle en parasols op het strand, maar dat was voor de klimaatverandering en het terrorisme er een einde aan maakten. Vliegen kon niet langer en alleen de extreem rijken konden nog op vakantie. Wanneer Lipa op een dag toch een vreemdeling van de immer leeg heen en weer tussen het eiland en het vasteland varende pont ziet stappen, ruikt ze dus haar kans. Rieve, zoals de man heet, moet rijk zijn, en als ze hem om haar vinger kan winden, neemt hij haar misschien wel mee wanneer hij weer vertrekt, weg van het eiland waar de kraaien rond stinkende lijken van voormalige eilandbewoners cirkelen. Dit is een van de drie verhaallijnen uit Ellen de Bruins Kraaien in het paradijs, haar tweede roman na de in 2018 met de Anton Wachterprijs bekroonde Onder het ijs. De andere spelen in het verleden. De een gaat over de arrogante en via allerhande schunnige wegen rijk geworden Tjal die in een resort op het eiland zijn memoires komt schrijven en daar verstrikt raakt in de lokale gebruiken, waaronder de fjaelti, een zogezegd traditionele erotische massage. In een derde lijn volgen we Jenem, de jongen die in een tijd waarin er geen landzoogdieren meer zijn de laatste levende kat op het eiland ontdekt en daarvoor beloond wordt met de kans om op het vasteland te gaan studeren. De Bruin weet deze drie lijnen bijzonder vernuftig en geloofwaardig door elkaar te vlechten en betoont zich daarbij een eersteklas vertelster. Knap is hoe ze focust op haar personages en de klimaatverandering alleen als achtergrond gebruikt. Geen zwaaiend moralistisch vingertje dus, maar wel een dystopische roman over patriarchaat, fatalisme en de fragiliteit van de menselijke beschaving. Twee rivaliserende broers lijken Kaïn en Abel wel, er is sprake van zeven vette en zeven magere jaren en uiteindelijk komt er zelfs een mensenoffer bij kijken. Sla de rationele poten vanonder zijn stoel, lijkt De Bruin ons te willen meegeven, en de mens wordt weer een bijgelovige aap.