Eerste zin Haar vader was op slag dood, haar moeder overleed in het ziekenhuis.
...

Eerste zin Haar vader was op slag dood, haar moeder overleed in het ziekenhuis. Haar herinneringen aan het ongeluk zijn messcherp. Marina voelt nog steeds de autogordel in haar schouder snijden, ziet nog steeds de voering van de passagierszetel dichterbij komen - de bekleding met de ragfijne streepjes, haar moeders stem tegen haar vader: 'Niet inhalen nu.' Marina distilleert het drama tot één zinnetje: haar vader was op slag dood, haar moeder overleed in het ziekenhuis. Ze herhaalt het tegen de verpleegsters, tegen haar pop, die ook Marina heet, tegen de psychologe die haar vertelt dat ze straks naar een fijne nieuwe plek mag, een plek vol meisjes van haar leeftijd en lieve volwassenen die nu voor haar zullen zorgen. Een weeshuis dus, een oord waar ze zich niet thuisvoelt: 'Hun gezichten waren allemaal te bruin, overmatig blootgesteld aan de zon. Hun jurken allemaal te vrolijk.' Tijdens de spelletjes blijft ze in de schaduw staan en even weigert ze zelfs te eten maar haar tienerhonger overwint haar magerzucht. Ondertussen kampt ze met schuldgevoelens: waarom heeft zij het ongeluk wel overleefd? En dan bedenkt Marina een geheim spel, een nachtspel waarmee ze de andere meisjes betovert. In het schemerduister van de slaapzaal ontspint zich een andere werkelijkheid, een magische wereld waar lichamen ontzield worden en vingers op verkenning gaan. Eindelijk is Marina geen buitenstaander meer, eindelijk kan ze haar rouw vorm geven. Maar wie in het donker een web weeft, kan er zelf in verstrikt raken. Net als in zijn vijfsterrenroman Republiek van licht geeft Andrés Barba in deze novelle kinderen een stem. Daarbij vermijdt hij de valkuil van sentimentaliteit en toont hij nogmaals zijn stilistische begaafdheid: met elke zin beneemt hij je iets meer de adem. Een boek als een wurgspelletje.