Er moet een lijst bestaan. Een lijst van excuses voor foute keuzes. Niet fout als in 'My Pussycat' als gepersonaliseerde nummerplaat, maar fout als in: we hebben meegewerkt aan een vernietigingsoorlog. Fout als in: we dachten dat we door het grotere kwaad toe te laten ons kleinere goed konden bereiken.
...

Er moet een lijst bestaan. Een lijst van excuses voor foute keuzes. Niet fout als in 'My Pussycat' als gepersonaliseerde nummerplaat, maar fout als in: we hebben meegewerkt aan een vernietigingsoorlog. Fout als in: we dachten dat we door het grotere kwaad toe te laten ons kleinere goed konden bereiken. Twee keer stootten de Vlaams-nationalistische scherpslijpers zich de voorbije eeuw aan dezelfde steen. In het spreekwoord doet zelfs een ezel dat niet. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hoopte men het eigen volk een plek onder Duitse vleugels te geven, en ook twintig jaar later haakten de Vlaamse roergangers hun karretje aan de Duitse volkseigen wagen. 'Ze waren zo beleefd', vertelt mevrouw Broeckx in Kinderen van de collaboratie. 'Ze leenden een fiets en een paard en ze brachten die terug.' Mevrouw Broeckx zat met een zekere strijdlust in haar woonkamer. Achter haar hingen pistolen aan de muur en tegenover haar - buiten beeld - een officiële foto van haar nonkel Jef in het uniform van de oostfrontstrijder, twee s'en op de revers. 'Ik ben daar trots op', zal ze later in de aflevering zeggen. 'Hij hangt daar uit respect en eerbied. Ze móésten dat doen.' Dat ze geen keuze hadden. Dat het voor een hoger ideaal was. Als die lijst van excuses nog niet bestaat, dan had je ze na die eerste aflevering van Kinderen van de collaboratie alvast kunnen samenstellen. Kwamen verder nog aan bod: hij deed gewoon zijn job, het was moeilijk te weerstaan aan zoveel enthousiasme, hij hield van uniformen of hij was misschien wat naïef. Jan Tollenaere formuleerde dat laatste excuus tussen neus en lippen. Hij had het over zijn vader, Reimond, nummer vier van het VNV en ook wel omschreven als de Vlaamse Joseph Goebbels. Van Reimond kon je veel zeggen, naïef was hij allerminst. Jan was te klein geweest om hem aan het werk te zien, maar volgens zijn moeder kon hij een zaal begeesteren. Wat hij ook deed: jongeren ronselen om te gaan vechten tegen het bolsjewistische gevaar. Zijn zoon noemde dat 'consequent zijn'. Ook dat was een excuus. Te interpreteren als: zijn keuzes waren misschien aangebrand, maar hij was wel consequent in zijn foute keuzes. Historische documentaires die zich concentreren op een kant van een verhaal hebben altijd moeite om de vele andere hoeken en zijden in beeld te brengen. Ook Kinderen van de collaboratie slaagt er niet in de persoonlijke verhalen van de erfgenamen voldoende uit te balanceren tegenover het grotere geheel. Hun herinneringen en hun interpretatie van het verleden voeren de boventoon en het evenwicht wordt gezocht in de verschillende stadia van verwerking waarin de getuigen zich bevinden: van de nuchtere analyse van auteur Herman Portocarero - 'Je kunt het idealisme noemen, ik noem het suïcidaal' - tot de nauwelijks verholen bewondering van mevrouw Broeckx - 'Dees is ons volk'. Maar hoe ga je als documentairemaker om met de subtiele details die in getuigenissen sluipen, die niet noodzakelijk stroken met de waarheid maar waarvoor je geen tijd hebt om ze te duiden en te weerleggen? Zoals dat ene zinnetje van Herman Dillen: 'Die vreemden uit Wallonië die onze mensen neerschoten.' Alsof verzetslieden allemaal uit Wallonië kwamen. Alsof er geen terreur tegen het verzet bestond. Of de Nacht-und-Nebelgevangenen, van wie de lijdensweg in concentratiekampen langer duurde dan een welgemikt geweerschot? Of wist men dat ook niet? Onwetendheid is waarschijnlijk het meestgebruikte excuus.