Dat Geoffrey Rush een van de weinige acteurs is die, samen met onder meer Al Pacino en Jeremy Irons, de zogeheten triple crown of acting (een Oscar, Tony én Emmy) op zijn cv heeft staan, is op zich al straf. Nog straffer is dat hij pas op zijn 45e vanuit Australië voor het eerst de oceaan overstak, een leeftijd waarop Hollywood zijn coryfeeën normaal onder zachte dwang richting uitgang begeleidt. Bovendien heeft Rush noch de looks noch de allures om meisjesharten sneller te doen slaan, in gespierde poses op filmaffiches te prijken of de roddelrubrieken te stofferen, al is dat zorgvuldig gecultiveerde imago van 'distinguished gentleman met een hoek af' wellicht net de reden van zijn succes.
...

Dat Geoffrey Rush een van de weinige acteurs is die, samen met onder meer Al Pacino en Jeremy Irons, de zogeheten triple crown of acting (een Oscar, Tony én Emmy) op zijn cv heeft staan, is op zich al straf. Nog straffer is dat hij pas op zijn 45e vanuit Australië voor het eerst de oceaan overstak, een leeftijd waarop Hollywood zijn coryfeeën normaal onder zachte dwang richting uitgang begeleidt. Bovendien heeft Rush noch de looks noch de allures om meisjesharten sneller te doen slaan, in gespierde poses op filmaffiches te prijken of de roddelrubrieken te stofferen, al is dat zorgvuldig gecultiveerde imago van 'distinguished gentleman met een hoek af' wellicht net de reden van zijn succes. Een en ander heeft de inboorling van Toowoomba, een universiteitsstadje in Queensland, er alvast niet van weerhouden om de voorbije jaren aardig wat memorabele rollen te scoren. Denk maar aan de biopic Shine (Scott Hicks, 1996) waarin hij de psychisch labiele raspianist David Helgott incarneerde en voor die eerste grote rol meteen de Oscar van beste acteur kreeg. Aan het kostuumdrama Quills (Philip Kaufman, 2000) waarin hij de pruik opzette van pennende pervert Markies de Sade. Aan zijn bijrol als non-conformistisch spraakleraar van gekroond stotteraar Colin Firth in de feelgoodhit The King's Speech (Tom Hooper, 2010). Of als het echt moet: aan zijn passages als kapitein Barbossa in de Pirates of the Caribbean-franchise. De komende weken heeft de Australian of the Year 2012 twee nieuwe films in de aanbieding. Vanaf 26 maart kunt u Rush aan het werk zien in het Wereldoorlog II-drama The Book Thief, naar de bestseller van Markus Zusak. Maar eerst is er de mysteriethriller The Best Offer, geschreven en geregisseerd door Guiseppe 'Cinema Paradiso' Tornatore. Daarin mag Rush - 62 inmiddels - in keurige maatpakken en op de tonen van Ennio Morricone flaneren door chique Weense, Praagse, Romeinse en Milanese decors als de excentrieke kunstexpert Virgil Oldman, die in een complexe criminele en romantische intrige verwikkeld raakt door toedoen van een jonge, mensenschuwe en bovenal steenrijke erfgename. Kortom: gedistingeerd materiaal voor een gedistingeerd gesprek. GEOFFREY RUSH: Zeker. Dat wist ik zelfs geeneens. Het was gewoon een van die scripts die je na vijf pagina's al volledig in hun greep hebben en waarvan je niet weet welke richting het mysterie zal uitgaan. Die zijn zeer zeldzaam. Als karakteracteur zijn hoofdrollen bovendien nog zeldzamer. Shine, Quills, The Life and Death of Peter Sellers (2004) en deze: dat zijn ze zowat. Tornatore is me komen opzoeken in Melbourne, waar we een dag of vijf gerepeteerd hebben en toen heb ik hem gevraagd waarom hij mij gecast had. Hij zei dat hij me had gezien op een rode loper voor The King's Speech, waar ik blijkbaar een net pak droeg, een foulard en handschoenen, en meteen wist hij: dat is mijn Virgil. Gek eigenlijk dat een regisseur wiens stijl zo beheerst, barok en opera-achtig is tegelijk zo op instinct werkt. Ik ga hem geen helderziende noemen, maar het scheelt toch niet veel. Trouwens: tegen de regisseur van prachtfilms als Cinema Paradiso (1988) en Malèna (2000) zeg je sowieso niet 'neen'. Tornatore is nog een van de weinigen die met bravoure expressionistische en intelligente cinema maken, zonder dat het arty farty wordt. RUSH: Ik kan Picasso van Rubens onderscheiden. En ik heb over de jaren een bescheiden schilderijencollectie opgebouwd. Maar het is vooral mijn vrouw die er verstand van heeft want zij komt uit een kunstenaarsfamilie. Als er in Melbourne een tentoonstelling is van bekende Europese schilders ga ik wel altijd kijken, maar eerlijk gezegd ligt muziek me meer dan schilderkunst of antiek. Ik ben ambassadeur van het Melbourne Symphony Orchestra. Bach, Beethoven, Stravinsky. Ik hou van alle soorten muziek, zolang het maar klassiek is. RUSH: Ik heb mijn rol vooral gebaseerd op details - de tics, de handschoenen, de dictie - en ik heb filmpjes bekeken van veilingen in Sotheby's en Christie's om dat haast rituele proces te analyseren. Vaak zijn dat rasechte thrillers, met een strak decor, protagonisten, antagonisten, figuranten en de veilingmeester als regisseur. Let wel: ik imiteer geen veilingmeester. Ik speel er één. Realisme is niet hetzelfde als de realiteit kopiëren. Het komt erop aan dat je in de personages kunt geloven, in de emotionele realiteit van de wereld die in een film wordt gecreëerd. Iemand vond het bijvoorbeeld raar dat iedereen Engels spreekt in de film terwijl die zich grotendeels in Wenen afspeelt. Maar heb je die opmerking ooit gehoord bij The Third Man? Of wat dan met Romeo en Julia? Dat speelt zich af in Italië, maar iedereen spreekt in Engelse jambische pentameters. It's the movies, folks. (lacht)RUSH: Had ik die quote zelf maar gevonden, maar damn, Ingmar was me voor. Op mijn twintigste dacht ik dat theater mijn leven ging worden, wat al een half mirakel was voor een working-class kid uit Australië. Er waren weinig theatergezelschappen toen ik in de jaren zeventig begon en van Australische cinema was amper sprake, maar ik had het geluk tot de generatie te behoren die alles in gang heeft gezet. Peter Weir, Fred Schepisi, George Miller, Ray Lawrence en Mel Gibson, met wie ik trouwens nog een appartement heb gedeeld toen hij een aanstormend, onbekend theateracteur was. Ik was al 45 toen ik plots ook in het filmwereldje belandde. Film is niet mijn minnares, zoals bij Bergman, het is mijn midlifecrisis en ik ben blij dat ik die volop mag uitleven. Ik kan - metaforisch gesproken - met knalgele Ferrari's rondrijden met bloedmooie vrouwen in de passagiersstoel. Met permissie van mijn vrouw nog wel. Welke vent kan dat zeggen? (lacht)RUSH:(grijnst) Die studiofilms zijn fun om te doen én ze zijn goed in hun genre. Ik heb met Spielberg gewerkt, met John Boorman, de Coen-broers en Philip Kaufman, maar Gore Verbinski vind ik minstens even goed. Hoge en lage kunst bestaan niet. Er bestaat alleen kunst en kitsch en de Pirates-films beschouw ik als populaire, commerciële kunst. RUSH: Tot vijftig jaar geleden moest elke Australische acteur vroeg of laat uitwijken naar Europa of Amerika als hij een professionele carrière wilde, maar sinds de oprichting van de film- en theateracademie in de jaren zestig en zeventig hebben we een goede opleiding, kunnen we eerst rijpen en is het buitenland een optie en geen must. We hebben ook zelfvertrouwen gekweekt. Een belangrijk moment in de Australische filmgeschiedenis was de komst van Michael Powell. Die was uit Engeland verbannen na zijn schandaalfilm Peeping Tom (1960) en heeft in Australië in 1969 Age of Consent gedraaid, met de jonge Helen Mirren als naakte muze van James Mason, die een bekende Australische schilder speelde. Ik herinner me nog hoe enthousiast we daarover waren. De grote Michael Powell die in Queensland een film draait? Met de grote James Mason? En met naakte vrouwen? Vooral dat laatste zal onze jeugdige fantasie wel geprikkeld hebben. (lacht) De verre, onbereikbare droom om in films te spelen was in elk geval een stukje dichterbij gekomen. Het gekke is: in de jaren tien van de vorige eeuw hadden we wel een degelijke filmindustrie. Toen producete Australië zo'n vijftig films per jaar. Tussen 1930 en 1970 was het echter een totaal cultureel braakland. Vorig jaar hadden we een vijfentwintigtal langspelers, wat behoorlijk is voor een land met 21 miljoen inwoners. RUSH: God nee. Hollywood blijft een eigenaardig wereldje dat veel jong talent opvreet en verbrandt. Ik wist wat ik kon en wat ik niet kon toen ik naar ginds trok en vooral: ik kon het hele circus relativeren. Weet je: mijn eerste filmrolletje was in de Australische misdaadfilm Hoodwink, uit 1981. Daarin zag ik eruit als een prematuur geboren wezel. Als je dat meemaakt als jong acteur, is elke rol die volgt een upgrade en zul je niet gauw meer naast je schoenen lopen. Laat die premature wezel een wijze levensles zijn voor elke beginnende acteur. (lacht)THE BEST OFFER Vanaf 25/12 in de bioscoop.DOOR DAVE MESTDACHGEOFFREY RUSH 'IK KAN MET BLOEDMOOIE VROUWEN IN KNALGELE FERRARI'S RONDRIJDEN. EN MÉT DE TOESTEMMING VAN MIJN VROUW.'