Ze hebben lang op hem moeten wachten, daar in Gent, want veel interviews of concerten geeft John Barry de jongste jaren niet meer. Sinds 2001 is de legendarische filmcomponist namelijk officieus met pensioen, al hebben zijn lyrische scores nog altijd niets aan dramatiek, sexappeal en amorele chic ingeboet en kan geen enkele filmliefhebber aan James Bond denken zonder diens onvergetelijke themasongs door het hoofd te horen spoken.
...

Ze hebben lang op hem moeten wachten, daar in Gent, want veel interviews of concerten geeft John Barry de jongste jaren niet meer. Sinds 2001 is de legendarische filmcomponist namelijk officieus met pensioen, al hebben zijn lyrische scores nog altijd niets aan dramatiek, sexappeal en amorele chic ingeboet en kan geen enkele filmliefhebber aan James Bond denken zonder diens onvergetelijke themasongs door het hoofd te horen spoken. Geen wonder dat Barry - 76 inmiddels - zonder verpinken een cultureel icoon kan worden genoemd. Tenslotte heeft hij niet alleen vijf Oscars, vier Grammy's en meer dan negentig scores op zijn cv staan, sinds zijn doorbraak begin jaren 60 is hij ook zowat de incarnatie van de Britse cool. Hij is een bij vlagen geniale vakman die met zijn melancholische melodieën en weelderige orkestraties het geluid van een generatie mee hielp bepalen. Als zoon van een bioscoopuitbater met acht cinema's in en rond het Noord-Engelse York heeft hij de liefde voor film van thuis meegekregen. Als veertienjarige snaak begon Barry - né John Barry Prendergast - zelf films te projecteren, terwijl hij zo ongeveer alles bekeek wat op zijn vaders affiches stond. 'Ik heb in mijn jeugd duizenden films gezien', aldus Barry in een zeldzaam interview. 'Ik dacht toen weliswaar zelf nog niet aan componeren, maar ik herkende de filmcomponisten. Erich Wolfgang Korngold, Max Steiner, Alfred Newman en Hugo Friedhofer: de klassieke Hollywoodfiguren uit de jaren 40.' Ondanks die enorme, muzikale bagage begon zijn carrière uiterst bescheiden. Barry kreeg een klassieke piano-opleiding, maar maakte die nooit af en beperkte zich als tiener tot trompet spelen op feestjes, in navolging van zijn idool Chet Baker. Tijdens zijn legerdienst voegde hij zich bij de lokale militaire fanfare, waar hij ook klarinet en altsaxofoon leerde spelen. Die veelzijdigheid kwam goed van pas toen hij in 1957 afzwaaide en als would-be rock-'n-roller en jazz-liefhebber meteen zijn eigen combo oprichtte: The John Barry Seven. Hoewel de jazzinvloeden in verschillende van zijn scores hoorbaar zijn en hij jaren later voor Francis Ford Coppola zelfs de rokerige Cotton Club indook, heeft Barry zijn jazzroots nooit overschat. 'Soms kan een jazzy score leuk klinken', zei hij. 'Maar ik geloof niet dat film baat heeft bij pure jazzmuziek. Dat werkt niet omdat jazz te veel een stijl aan de film opdringt in plaats van een dramatische functie te vervullen. Zuivere jazz leidt de aandacht af van de beelden en loopt niet synchroon, maar parallel met wat op het doek te zien is.' Sinds zijn eerste score voor Beat Girl uit 1959 heeft Barry, die zowat alle muziekstijlen uit de fifties als een spons opzoog, een geheel eigen stijl ontwikkeld. Om die te omschrijven, worden vaak woorden als 'sexy', 'melancholisch', 'gedistingeerd' en 'chique' bovengehaald, al heeft zelfs de maestro zijn erg herkenbare John Barrystijl zelf nooit precies kunnen definiëren. 'Het heeft iets te maken met de harmonie, de orkestraties, de textuur van de muziek en een gevoel voor drama; je schrijft voor beelden. Zelf hoor ik ook wel het verschil tussen Prokofiev en Rachmaninov, maar wat typisch Barry is, kan ik je niet zeggen.' Wel zeker is dat Barry niet een van die gefrustreerde toondichters is die bij gebrek aan beter in de filmindustrie is beland. Zelfs toen hij eind jaren 50 met zijn eigen combo covers bracht van Bill Haley, of toen hij wat later arrangeur en bandleider was bij het platenlabel EMI, wilde hij niets liever dan soundtracks maken. En met succes: naast de voornoemde vijf Oscars voor Born Free, The Lion in Winter (1968), Out of Africa (1985) en Dances With Wolves (1990), werd hij gelauwerd om zijn innoverende muziek voor The Ipcress File (1965), The Knack (1965) en Midnight Cowboy (1969), en voor de tv-series Vendetta (1966-1968) en The Persuaders (1970-1971). Je moet John Williams of Ennio Morricone heten om ernaast te staan. Ondanks dat indrukwekkende cv zal 'The Man with the Midas Touch', zoals Barry door zijn biograaf Geoff Leonard werd genoemd, wellicht voor eeuwig en altijd geassocieerd worden met Bond. James Bond. Hij schreef de muziek voor maar liefst elf van James Bonds avonturen, van de eerste episode Dr. No uit 1962 tot The Living Daylights uit 1987. Zijn persoonlijke favoriet is die voor Goldfinger uit 1964 - meteen het ultieme voorbeeld van de even sensuele als mysterieuze Barrytouch. Vooral de titelsong, met de diamantharde vocalen van Shirley Bassey en de majestueuze blazers (wah-waaah-wah!), zou de muzikale climax van de franchise blijken. Alle latere Bondsongs werden eraan getoetst. 'Het was het gekste nummer dat ik ooit componeerde', gaf Barry toe. 'Shirley bracht het absurde nummer met zoveel overtuiging dat de hele wereld met haar meezong.' Over de jaren heen is John Barry zo met James Bond vergroeid geraakt - ze delen zelfs dezelfde initialen. Ironisch genoeg staat het instrumentale beginthema met zijn gemene gitaar en snoeverige blazers op naam van Monty Norman. 'Hoe dat komt, zal me blijven achtervolgen', verklaarde Barry ooit. 'Monty Norman was betrokken bij de eerste Bondfilm, maar de producers waren niet tevreden. Daarom werd ik gevraagd om in allerijl een nieuwe score te schrijven inclusief een nieuw thema. Uit contractuele verplichtingen werd dat thema aan Monty Norman toegedicht, al had hij er niet veel mee te maken.' Bijna vijftig jaar en vier rechtzaken later staat het thema nog steeds op Normans naam en gaat Barry de juridische discussie wijselijk uit de weg met een retorische vraag: 'Als ik het thema niet geschreven heb, waarom hebben ze mij dan elf films lang ingehuurd?' Wat Barry ook steevast vermijdt, zijn vragen over zijn privéleven, en misschien wel met reden. In de swinging sixties hield de onverbeterlijke dandy er immers een levenswandel op na die zelfs Caligula zou doen blozen. Vervolgens verwekte Barry drie kinderen bij vier verschillende vrouwen, onder wie actrice en zangeres Jane Birkin, oftewel de latere mevrouw Serge Gainsbourg, met wie hij van 1965 tot 1968 getrouwd was. 'John is altijd cool geweest', verklaart Michael Caine het succes van zijn oude vriend. 'Hij hoefde nooit indruk te maken. Wie zo'n goede muziek kan schrijven, heeft nu eenmaal geen nood aan een rood kostuum.' Sinds de late jaren 70 gaat het er ten huize Barry een stuk rustiger en vooral discreter toe. Samen met zijn vierde vrouw Laurie en hun tienerzoon Jon Patrick woont Barry in een peperdure villa op Long Island, New York. Veel komt hij de jongste jaren niet meer buiten, behalve om ergens een eredoctoraat op te pikken, tot ridder geslagen te worden of bij een concert acte de présence te geven. Gent mag zich gelukkig prijzen. John Barry in concert 21/10, het Kuipke, Gent. Door Dave Mestdach