Ray Lawrence met Gabriel Byrne, Laura Linney, Chris Haywood, Debora Lee-Furness, John Howard
...

Ray Lawrence met Gabriel Byrne, Laura Linney, Chris Haywood, Debora Lee-Furness, John Howard Begin jaren 80 werd Ray Lawrence nog aangekondigd als het goudhaantje van de Australische new wave. Maar waar generatiegenoten als Peter Weir ( The Truman Show) en Phillip Noyce ( Clear and Present Danger) met succes de oversteek richting Hollywood maakten, bleef Lawrence down under hangen. Niet alleen zijn lyrische flop Bliss (1985), maar ook zijn voorkeur voor sombere en visueel complexe labyrinten speelde hem daarbij parten - het soort films kortom waarvoor de gemiddelde Hollywoodbobo fluks de dichtstbij wuivende palmboom in wipt en waar Lawrences vorige langspeler - het broeierige psychodrama Lantana (2001) - ook al een uitstekend voorbeeld van was. In het verlengde daarvan komt de Australische traagfilmer - Jindabyne is pas zijn derde langspeler - nu aandraven met deze prima, maar al even moeilijk te slijten opvolger, waarin hij opnieuw zijn affiniteit met de natuur- poëzie van Terrence Malick en de gefragmenteerde vertelstijl van Robert Altman etaleert. Sterker nog: ook Lawrence haalt zijn inspiratie bij het kortverhaal So Much Water So Close to Home van de Amerikaanse middenklassechroniqueur Raymond Carver, dat Altman eerder al verwerkte in zijn magistrale mozaiëk Short Cuts. Hier geen archetypische americana of Tom Waits in debardeur, maar grillig meanderende kreken, ruwe rotsmassieven en de ijle provinciestadjes van New South Wales in strakke en instinctief gemonteerde scoopcomposities gevat. De film begint met de jaarlijkse trektocht van de Ierse immigré Stewart Kane (Gabriel Byrne), een hardwerkende huisvader die er samen met zijn buddies een paar dagen op uittrekt om te gaan vissen en zijn Amerikaanse echtgenote Claire (een uitstekende Laura Linney) daarvoor graag even aan de haard laat. Business as usual allemaal, tot Stewart het lijk van een verkracht aboriginalmeisje in de rivier ziet dobberen en zijn vrienden er in een vlaag van misplaatst tribalisme zowaar van overtuigt dat het oké is om het lijk aan een boomstronk te binden en de politie pas binnen een paar dagen - wanneer de trip er op zit - te verwittigen. Dat de aboriginals Stewarts perfide logica maar matig kunnen appreciëren - zeker wanneer het verhaal uitlekt in de pers - is dan ook logisch. En ook zijn vrouw is zijn machogedrag na jaren jaknikken en een knoert van een depressie hartgrondig beu. Meteen het keerpunt waarop deze bedrieglijk rustig voortkabbelende vertelling over schuld en boete wordt vergiftigd met bittere raciale kwesties, genderproblematieken én een scheut spirituele suspense die dit stevig vertolkte ensembledrama richting psychologische thriller stuwen. We zeiden het al: een moeilijk te slijten film, maar wel één die, ondanks zijn diffuse stijl en nogal melige einde, als het oergebrom van een didgeridoo door je hoofd blijft spoken. Dave Mestdach