Ingres

MUSEE DU LOUVRE
...

MUSEE DU LOUVRE RUE DE RIVOLI IN PARIJS, TOT 15 MEI. WWW.LOUVRE.FR Een ding is zeker: op Jean-Auguste-Dominique Ingres (1780-1867) valt niet zomaar een stempel te zetten. De beroemde Franse neoclassicist gedroeg zich tussen de bedrijven door als iemand met heel andere interesses. Zijn romantische tijdgenoten - en tegenstanders - vonden zijn doeken koud en academisch. Maar zoals de retrospectieve laat zien, sloeg Ingres tijdens zijn zeventig jaar durende carrière ook zelf graag de weg in van de romantiek. Volgens sommigen was hij een overloper, volgens anderen een classicist met een romantische ziel - in ieder geval leek Ingres verdacht veel op een kunstenaar die het ene zei en het andere deed. Hoewel hij portretkunst maar niets vond, vereeuwigde hij de ene na de andere hoogwaardigheidsbekleder. Hoewel hij niet hoog opliep met Napoleon, beeldde hij hem af als een dramatische godheid. Hoewel hij het klassieke ideaal verdedigde, schilderde hij vervormde lichamen, monsterachtige sfinxen en sentimentele koekendoos-Madonna's. Het complexe portret dat in het Louvre wordt geschetst, laat niet veel over van de conservatieve dogmaticus Ingres. Maar volgens cocurator Stéphane Guegan is het beeld dat zich intussen heeft gevormd sowieso niet realistisch. De Franse gigant was, dixit Guegan, 'geen einzelgänger zoals vaak wordt beweerd, maar een kunstenaar wiens werk werd bepaald door de tijd waarin hij leefde en de verwachtingen die daarmee gepaard gingen'. De retrospectieve begint met het theatraal doek van Jupiter en Thetis (1811), vanop een afstandje eerder een reuzenposter die bedoeld is om de verkoop van de catalogi te stimuleren. Daarna kom je terecht in een aards paradijs voor Ingres-liefhebbers: een in zes delen opgesplitst en royaal gestoffeerd overzicht waarin zo goed als alle schilderijen van Ingres aangevuld zijn met uiterst fijnzinnige tekeningen en aquarellen. Een naakte man met gouden lokken en een neus als een zuil (1801) zorgt voor een verpletterende aftrap. Na het van testosteron krullende pronkstuk volgen doeken waaruit de invloed van Ingres' leermeester David spreekt, en talloze portretten van goed bij kas zittende burgers op hun paasbest. Sommigen onder hen springen uit de band, zoals Caroline Rivière (1805), een aan Da Vinci refererende vrouw met een lichtrood blosje en een sneeuwwitte pelsen stola. Je passeert voorbij mijlpalen uit de kunstgeschiedenis - La Grande Baigneuse, La Source en het verbluffend norse portret van Louis Bertin - en krijgt daar ook altijd de voorbereidende tekeningen bij. Je stuit op Roger délivrant Angélique (1819), een donker drakendoderstafereel met blakeiaanse trekjes, en stemmige theatercomposities waarin troubadours hun liefjes kussen en vorsten paardje spelen met hun kroost. Hoe veelkleurig en onlogisch ook, toch wordt het oeuvre van Ingres op een heldere en meeslepende manier uit de doeken gedaan. Vooral de uitersten blijven bij: een Napoleon om nooit meer van te bekomen tegenover een niet in bedwang te houden neiging tot plompheid. Adembenemend en dan weer een tikje ordinair, maar juist die verhouding geeft pit en vaart aan het geheel. Els Fiers