Op het altaar, onder een glazen stolp, van een zijkapel van de Gentse kathedraal stond een klein fallusachtig object opgesteld. Het opgerichte geslacht leek roze marmer dat in de schaars verlichte ruimte van zijn glans verloren had. De titel, Lingam, verwees naar de hindoegodsdienst, waar met de lingam de scheppingskracht van de god Shiva wordt vereerd. Op het etiket stond de naam van een Vlaamse kunstenares, Berlinde De Bruyckere (°1964, Gent). Zij was het die dat cultische object uit een verre godsdienst had ingeplant in een katholieke kerk, en bestempeld als een hedendaags kunstwerk voor de tentoonstelling Sint-Jan. Als een kameleon aangepast aan zijn omgeving, werd het ding door niemand ontmaskerd als een fremdkörper.
...

Op het altaar, onder een glazen stolp, van een zijkapel van de Gentse kathedraal stond een klein fallusachtig object opgesteld. Het opgerichte geslacht leek roze marmer dat in de schaars verlichte ruimte van zijn glans verloren had. De titel, Lingam, verwees naar de hindoegodsdienst, waar met de lingam de scheppingskracht van de god Shiva wordt vereerd. Op het etiket stond de naam van een Vlaamse kunstenares, Berlinde De Bruyckere (°1964, Gent). Zij was het die dat cultische object uit een verre godsdienst had ingeplant in een katholieke kerk, en bestempeld als een hedendaags kunstwerk voor de tentoonstelling Sint-Jan. Als een kameleon aangepast aan zijn omgeving, werd het ding door niemand ontmaskerd als een fremdkörper. De Bruyckere heeft een merkwaardig rechtlijnig parcours afgelegd, sinds ze op haar vijfde in een nonnenpensionaat als in een kooi opgesloten zat, door de andere kinderen werd uitgelachen en naar potlood en papier greep als een daad van bevrijding. De ontsnapping uit een keiharde wereld en de ontdekking van de fantasie. 'Alleen in mijn chambretje las ik de boeken die ik niet mocht lezen en legde ik de andere naast me neer. Ik begon intuïtief te tekenen en ben dat altijd blijven doen. Waren het dieren? Landschappen? Misschien alleen ongehoorde dingen. Wat not done was, heeft me altijd aangetrokken.' Haar Lingam bestond niet uit marmer maar uit gekleurde was. Die had ze met het penseel in vele lagen uitgestreken op een mal, het afgietsel van een deel van de buik van een geit. Een ander part diende, samen met de uier, om er een reeks van drie beelden mee te maken, The Wound I, II en III, bestemd voor haar solotentoonstelling in Istanboel deze zomer. Tevoren werkte ze alleen met 'edele' dieren zoals het paard en het hert. Een geit vond ze een lelijke allesvreter, 'een soort hoer' zelfs, terwijl de bok in volkse overleveringen satanische trekken heeft. Totdat morfoloog Paul Simons, met wie ze al sinds 1999 samenwerkt in de veeartsenijschool van de Gentse universiteit, een verhaal deed dat haar op andere gedachten bracht. Hij vertelde: 'Ik ben opgegroeid in de bossen. Mijn ouders waren kleine, arme boeren. Wij konden ons geen koeien veroorloven. Wij hadden de geit en noemden die de koe der armen. Het dier heeft weinig nodig, is met alles tevreden en geeft ongelofelijk veel melk. Het is een zeer genereus beest.' Uier en buik van de geit brachten nog een andere kwaliteit aan het licht. Nadat het dier geschoren was, stelde de kunstenares vast dat de huid in kleur en structuur erg goed leek op haar wassen beelden en op het menselijke lichaam, veel meer dan ze bij paarden ooit had ervaren. Zo kwam het dat zij de afgegoten organen van de geit ook gebruikte voor de weke kern van de drie nieuwe beelden voor Istanboel, naar het motief van de wonde. Het ontstaan ervan hangt samen met haar fascinatie voor de Turkse stad, smeltkroes van culturen, en haar ontmoeting met de grote verzamelaar Omer Koç. Die gaf haar een opdracht voor zijn nieuwe privémuseum en liet haar na enig aandringen toe tot zijn bibliotheek, waar ze een ontdekking deed. In een oud fotoalbum trof ze een lange reeks portretten aan van vrouwen met hoofddoek en djellaba, poserend in elegante burgerlijke interieurs. Hun gezichten stralen een waardigheid en schoonheid uit als op schilderijen van klassieke meesters. Alleen is de djellaba ter hoogte van hun onderbuik opengespeld, waardoor een genaaide wonde zichtbaar wordt. Dit was kennelijk de collectie van een chirurg die tumoren, cystes of foetussen had verwijderd en daarna de geamputeerde vrouwen met hun geheelde wonde geëxposeerd wilde zien. In de bokalen naast hen op de foto's zitten geen Turkse zoetigheden, zoals De Bruyckere eerst dacht, maar de weggesneden organen. De kunstenares, geschokt, probeerde de blootstelling te begrijpen en maakte de afweging tussen de trots van een arts die vrouwen het leven had gered, en de islamcultuur die vrouwen in het dagelijkse leven dwingt om een deel van hun zichtbaarheid op te geven. Door de jaren heen raakte ze in haar beeldend werk vertrouwd met lichamelijkheid en pijn, het schaduwgebied tussen leven en dood, exhibitie en intimiteit, de transformatie van het afstotelijke in het schone, de vermenging van dierlijke, menselijke vormen en boomstukken; de kunstenares besloot tot het maken van The Wound. (Ze zag niet het museum als de juiste bestemming, maar een oud badhuis, de hamam Çukurcuma.) DE ZACHTE, WASSEN VORM MET DE DICHTGENAAIDE WONDE IS omsloten door een soort zware lijst, een paardenhalster, die ze op een Franse rommelmarkt vond. Minuscule koordjes houden de boel bijeen en beletten het aan de muur opgehangen beeld alsnog om uit elkaar te vallen. Zoals altijd bij De Bruyckere trekt een meerledig beeld ook meer dan één betekenis aan. Maar onontkoombaar is de spanning tussen het halster van een paard, dat viriliteit en bedwang oproept, en de weke, aan een vagina ontleende vorm ('de fragielste plek van ons lichaam'). Een krachtige, erotiserende spanning van een liefdevol opgelapt vehikel met een ruïnerend potentieel. Berlinde De Bruyckere, sereen achter een lange tafel op de zolder van haar woon- en werkplaats in een vroegere Gentse jongensschool, omschrijft wat haar bezielt: 'Ik ga heel intuïtief te werk. Dat is mijn onderliggende drijfveer: vanuit dingen die verloren zijn weer iets te maken wat kracht en hoop en schoonheid uitstraalt. Dat begrip schoonheid is zich nog altijd aan het ontwikkelen, in die zin dat wat ik als schoon ervaar, voor veel mensen zeer lelijk of afstotelijk is.' 'Ik kan niet aanvaarden dat dingen verloren gaan en verdwijnen,' gaat ze verder, 'en dat onze herinnering tekortschiet. Er is zo'n groot arsenaal aan gebeurtenissen en ervaringen die heel intens zijn op een bepaald moment in je leven en die langzaam wegkwijnen doordat je verder leeft en onder de invloed raakt van andere dingen. Ik aanvaard dat moeilijk, het is zo. Vandaar, denk ik, de dode lichamen in mijn beelden. Als ik ze niet recupereer, gaan ze naar de brandstapel en schiet er niets meer van over. Je wilt ze een nieuw leven geven dat misschien veel sterker is en langer zal bestaan.' Ze noemt zichzelf met een lelijk woord een 'recuperatiekunstenares', maar haar beelden hebben de uitstraling van klassieke sculpturen. Ze voelt en denkt als de oude meesters in de schilderkunst, tot en met de glans en de transparantie die zij hun lichamen meegaven. De dramatische of extreem noodlijdende expressie van haar koploze lichamen of lichaamsfragmenten, zijn in tegenspraak met de animale kracht die ze bezitten. Zo versterken ze het gevoel dat hun vlees nog natrilt van leven, dat ze vers geslacht zijn. Het is een teer punt voor de slagersdochter. Er klinkt heftigheid in haar toon: 'In alle interviews vraagt men mij: hoe bent u beïnvloed door uw vader, die beenhouwer was? Eens en voor altijd: wat mijn vader deed was het tegenovergestelde van wat ik doe. Ik herinner mij het binnenbrengen van wat slechts halve dieren meer waren, ontdaan van hun huid, eigenlijk al puur vlees. Dat heeft niets te maken met een paardenlichaam waarop ik ga mouleren in de veeartsenijschool, want dat is nog een volledig dier, met de schoonheid van die huid. Dat is totaal iets anders dan een karkas, in tweeën gesneden, dat mijn vader in nog kleinere stukken sneed en verkocht. En de mensen aten dat op, en dat is vlees, niet? Met vlees ben ik opgegroeid, maar niet met dode dieren. Want dat waren geen dode dieren meer, maar karkassen. Ik laat dat niet gebeuren, dat in stukken snijden en verdelen. Ik vertrek van het dode dier, om welke reden het doodgegaan is speelt geen rol, en laat zijn schoonheid niet verloren gaan.' DOOR JAN BRAET'ALS KIND LAS IK DE BOEKEN DIE NIET MOCHTEN. WAT NOT DONE WAS, HEEFT ME ALTIJD AANGETROKKEN.'