Eerste zin Ik vroeg of hij de titel die mijn nieuwe uitgever had bedacht goed vond.
...

Eerste zin Ik vroeg of hij de titel die mijn nieuwe uitgever had bedacht goed vond. Schrijfster E.G. woont met haar man in een leuke wijk, niet te ver van de stad, maar met genoeg ruimte voor hun twee dochtertjes om buiten te spelen. Zij werkt aan een boek en hij heeft een interessante baan buitenshuis. En dan zegt hij opeens dat hij voortaan in de logeerkamer zal slapen. Het is een eerste stap in een lange processie van Echternach die tot een definitieve breuk zal leiden en de schrijfster meer dood dan levend achter zal laten. Ik had het moeten weten toen we hier kwamen wonen, bedenkt ze zich achteraf, toen we die dode mannetjeszwaan vonden op de brug. Het dier had zich miskeken op de balustrade en was ertegenaan geknald. Even later volgde het vrouwtje. Die wijk was de hemel van suburbia niet. Dat E.G. voor Elke Geurts staat, is geen verrassing. De schrijfster houdt al tien jaar een blog bij waarin ze over haar persoonlijke leven schrijft. Haar desintegrerende relatie met 'man', zoals hij steevast wordt genoemd, beschreef ze in een reeks felgesmaakte columns in de Nederlandse krant Trouw. Maar in feite doet dat er niet toe. Ik nog wel van jou overstijgt immers het autobiografische gejeremieer waartoe een relatiebreuk aanleiding zou kunnen geven. Geurts geeft een pijnlijk diepgravend portret van een vrouw die opeens de man met wie ze al veertien jaar samen is niet meer herkent. Man speelt een eindeloos spel van aantrekken en afstoten met haar. Zo verhuist hij naar een gemeubeld flatje boven de Turk op de hoek van de straat, maar vijf op de zeven dagen zit hij tot elf uur 's avonds bij E.G. thuis. Hij gaat weg, komt een paar maanden terug en houdt dat psychische folteren een heel jaar vol. E. weet niet wat er met man aan de hand is en hij nog veel minder. De schrijfster houdt zich ondertussen recht met de literatuur. Ze leest Renate Rubinstein en Rachel Cusk en doceert 's avonds aan een stel aspiranten dat je soms geen zin meer hebt om fictieve personages te verzinnen. Stilaan daagt het haar dat het tijd wordt om, net zoals ze indertijd met haar imaginaire vriendje deed toen ze dat niet langer nodig had, ook die imaginaire man die haar overal begeleidt te dumpen.