In februari 1937 marcheerde een legioen filmgiganten de Denham Studios binnen met de allesbehalve geringe ambitie Robert Graves' historische bestsellers I, Claudius en Claudius the God te verfilmen. Romeinse tempels uit plaaster en bordkartonnen antieke villa's verrezen in de groene Londense voorstad om het decadente verhaal te vertellen van de stotterende intellectueel Claudius, die zijn leven lang voor een idioot werd aangezien om anno 41 onverwacht tot keizer van het almachtige Romeinse rijk te worden gekroond.
...

In februari 1937 marcheerde een legioen filmgiganten de Denham Studios binnen met de allesbehalve geringe ambitie Robert Graves' historische bestsellers I, Claudius en Claudius the God te verfilmen. Romeinse tempels uit plaaster en bordkartonnen antieke villa's verrezen in de groene Londense voorstad om het decadente verhaal te vertellen van de stotterende intellectueel Claudius, die zijn leven lang voor een idioot werd aangezien om anno 41 onverwacht tot keizer van het almachtige Romeinse rijk te worden gekroond. Toen de opnames begonnen, stond de Britse filmmogol Sir Alexander Korda - die de studio's in 1934 had opgericht - op de piek van zijn roem nadat hij met hits als The Scarlet Pimpernel (Harold Young, 1934) en The Ghost Goes West (René Clair, 1935) met succes de hegemonie van Hollywood had aangevallen. Om een pond min of meer minder zat Korda niet verlegen en dus werd de Britse kolos Charles Laughton ingehuurd om de spastische keizer Claudius te vertolken. Dankzij de avonturenfilm Mutiny on the Bounty was Laughton niet alleen uitgegroeid tot Blighty's bekendste filmster, hij was ook de recentste Oscarwinnaar met zijn hoofdrol van veelwijvende monarch in het door Korda zowel geproduceerde als geregisseerde kostuumdrama The Private Life of Henry VIII. Om de maanzieke wreedaard Caligula, de voorganger van Claudius, te incarneren, rekruteerde Korda de al even populaire Emlyn Williams, die zowel in Londen als New York triomfen vierde als auteur en acteur van Night Must Fall. De rol van de perfide, sensuele keizerin Messalina was dan weer weggelegd voor Merle Oberon, die het jaar voordien een hit had gescoord met The Dark Angel (1935) en tevens het object van Korda's begeerte én zijn toekomstige eega was. Minder evident was Korda's keuze voor regisseur Josef von Sternberg, ondanks diens indrukwekkende cv. Dankzij Underworld (1927) stond de Oostenrijkse regisseur te boek als de officieuze uitvinder van de klassieke Amerikaanse gangsterfilm, maar hij had toch vooral faam verworven met de zes films die hij met zijn ex Marlene Dietrich had gedraaid - met Der blaue Engel (1930) en Morocco (1930) als bekendste voorbeelden. Aan die gezamenlijke succesreeks was in 1935 echter een abrupt einde gekomen met The Devil Is a Woman, een romantisch kostuumdrama dat aan de kassa zwaar was geflopt. Dardoor werd von Sternberg gedwongen van Paramount Pictures naar de kleinere Columbia Studio te verhuizen, waar de zelfbewuste filmauteur met beperkte budgetten voor een aanzienlijk kleiner publiek moest werken. 'Eigenlijk was I, Claudius bedoeld als een showcase voor mij', beweerde Merle Oberon later. 'Von Sternberg werd enkel ingehuurd omdat Korda hem als een vrouwenregisseur beschouwde. Hij moest voor mij doen wat hij eerder voor Dietrich had gedaan.' Niettemin hapte Von Sternberg gretig toe toen Korda hem enigszins verrassend een contract voorschotelde. Niet alleen hoopte Von Sternberg zijn kritische en commerciële status van weleer te herwinnen, van de schuimende cocktail van seks en macht - het onderwerp van Graves' pseudohistorische romans - had hij altijd al zijn specialiteit gemaakt. Bovendien liet het project hem toe een arena te betreden die zo mogelijk nog meer verdorven was dan het bordeel uit Der blaue Engel of het hof van Catharina de Grote uit zijn Dietrichvehikel The Scarlet Empress (1934). Een maand lang vochten Korda, Von Sternberg en Laughton in de Denham Studios met Graves' succulente materiaal, al duurde het niet lang voor ze vooral met elkaar in de clinch lagen. Zo toonde Von Sternberg zich algauw een megalomane autocraat die niet veel van Korda's bemoeienissen wilde weten, terwijl Laughton zich met zo veel overgave en nog meer tics op de rol van Claudius stortte dat de crew ofwel in een deuk lag van het lachen ofwel geen vin meer durfde te verroeren. Na amper vier weken draaien lag de peperdure productie hopeloos achter op schema, om een week later al het finale nekschot toegediend te krijgen toen Merle Oberon - oftewel de Messalina van dienst - lichtgewond raakte bij een auto-ongeval. Was het de rivaliteit tussen de verschillende flamboyante persoonlijkheden die het project richting verdoemenis dirigeerde? Of waren het de filmgoden die de hoogmoedige makers ongunstig gezind waren? In 1965, bijna dertig jaar na het fameuze fiasco, hoopte de BBC-documentaire The Epic that Never Was eindelijk een antwoord te vinden, waarmee het de voorloper werd van Lost in La Mancha, L'enfer en andere docu's over nooit gerealiseerde filmprojecten. Toch mag en moet de 'epic' uit de titel van die beroemde unmaking-of met een korrel zout worden genomen. Zo was het - ondanks de lange speelduur en het rijke decorum - nooit Von Sternbergs bedoeling om van I, Claudius een sandalenepos met spectaculaire stadsgezichten en veldslagen met honderden figuranten te maken. Evenmin mag de frase 'never was' worden verward met 'never finished', aangezien de documentaire uiteindelijk 27 minuten aan opnamemateriaal wist te redden. Daaronder zaten zelfs een aantal volledig afgewerkte scènes - minus de muziek en de overdubbing - die door Von Sternberg zelf op zondag waren gemonteerd, de enige dag van de week waarop er niet werd gedraaid. Of I, Claudius Von Sternbergs magnum opus zou worden zoals sommige getuigen en kenners later beweerden, valt uit dat overgebleven beeldmateriaal - dat in stukken en beetjes op YouTube te vinden is - onmogelijk op te maken. Toch gaat van sommige scènes en vooral van Laughtons maniëristische vertolking een ontegensprekelijk magnetisme uit, om nog maar te zwijgen van de erotische uitstraling van Merle Oberon, die in doorzichtige, strategisch belichte gewaden langs antieke atria en altaren trippelt. Hoofdgetuigen in The Epic That Never Was waren Von Sternberg, Oberon en scenarist Robert Graves, aangezien Korda en Laughton toen al overleden waren. Veel kritische inzichten of substantiële subteksten leverde de documentaire desondanks niet op: de interviewees werden met de fluwelen handschoen benaderd en de reportage werd tot 73 minuten verknipt om ook op tv te kunnen worden vertoond. De enige kritiek aan het adres van Von Sternberg kwam van production designer John Armstrong. Die verwonderde zich erover dat de Hollywoodmaestro zich bewust verschillende historische anomalieën had gepermitteerd om zijn soap in toga nog smeuïger te maken dan die in feite al was. Zo vermenigvuldigde Von Sternberg het aantal Vestaalse maagden van zes naar zestig, die hij dan nog in doorzichtige gewaden stak. Bovendien werd in de door Dirk Bogarde ingesproken documentaire met geen woord gerept over de these die al meteen na het aborteren van I, Claudius de kop opstak. Met name: dat Merle Oberon haar auto-ongeval zelf zou hebben geënsceneerd op vraag van Korda met als extra stimulans: de verzekeringspremie van tachtigduizend dollar die ze daardoor opstreek. Hoewel er nooit harde bewijzen werden gevonden, zou dat laatste ook verklaren waarom alle rapporten ter zake onmiddellijk na de opnames op even mysterieuze als grondige wijze werden vernietigd. Waarover in The Epic that Never Was verder ook zedig gezwegen werd, was het feit dat Marlene Dietrich van Korda een cheque van honderdduizend dollar had gekregen aangezien zij eigenlijk diegene was die over Von Sternbergs lot besliste. Dat diezelfde Von Sternberg zich na het stopzetten van de opnames in de psychiatrische afdeling van het Charing Cross Hospitaal had laten opnemen, werd trouwens evenmin vermeld, kwestie van de Duitse meester niet voor de teergevoelige borst te stoten. Sinds het verschijnen van de documentaire in 1965 is het gemeengoed geworden om de val van I, Claudius exclusief op het conto van hoofdrolspeler Charles Laughton te schrijven. Dat Von Sternberg de onhebbelijkheden van de Britse acteur extra in de verf zette in zijn excentrieke autobiografie Fun in a Chinese Laundry (1965) gooide daarbij olie op het al oververhitte vuur. Toch blijft de vraag of zinsneden als 'buiten de set was Laughton even abnormaal als eender welke andere acteur', of de bewering dat hij een masochist was die het hoongelach van de figuranten nodig had om te kunnen presteren, met de werkelijkheid klopten. Laughtons biograaf en collega Simon Callow beweerde alvast net het tegenovergestelde en wees vooral naar de maniakale veeleisendheid van de Oostenrijkse regisseur om de hoog oplopende spanningen op de set van I, Claudius te verklaren. 'Laughton werd als het ware verlamd', schreef Callow. 'Aangezien hij niet in staat was om met de harde, dictatoriale stijl van Von Sternberg om te gaan, nam hij een defensieve houding aan die de regisseur nog razender maakte. Het was niet alleen een travestie van hemzelf en zijn methodes, het was vooral een aanval op zijn autoriteit zodat hij er - ten einde raad - zelfs de producent moest bijhalen.' Hoewel de val van I, Claudius altijd in een waas van mysterie gehuld zal blijven, maakte de documentaire duidelijk dat de gedoemde productie in elk geval een buitengewoon ambitieus epos vol psychologische gravitas was. Verteller Dirk Bogarde eindigde zijn commentaar dan ook met de bedenking dat alleen het triumviraat Korda-Von Sternberg-Laughton ooit zo'n zware onderneming zou aandurven. Ironisch genoeg zouden Bogardes woorden in 1976 worden tegengesproken toen de BBC uitpakte met de twaalfdelige miniserie I, Claudius met Derek Jacobi als de stotterende slungel die het tot keizer weet te schoppen. Hoewel de tv-serie een succes was en sindsdien een klassieke status geniet, blijft het nog steeds wachten op de eerste producent die uit Graves bestsellers niet alleen een decadent intrigedrama, maar ook een visueel opwindend spektakel weet te puren. Worden die ambities straks alsnog waargemaakt door de Amerikaanse kabelzender HBO die naar verluidt een nieuwe serie van I, Claudius plant? Of blijft er voor eeuwig en altijd een vloek rusten op Von Sternbergs 'epic that never was'. Alleen Jupiter kent het antwoord. DOOR DAVE MESTDACH