FINDING NEMO
...

FINDING NEMO vanaf 26/11 in de bioscoopZELFS ARTISTIEK DIRECTEUR JOHN LASSETER - de man die alle Pixar-projecten coördineert en indertijd tekende voor de regie van het baanbrekende Toy Story - kan het nauwelijks geloven. Nadat Finding Nemo zich afgelopen zomer een weg baande tot aan de top van de Amerikaanse box-office, blijkt ook de dvd- en videorelease over de Atlantische Oceaan uit te groeien tot een succès fou. Zo gingen er op één dag tijd meer dan acht miljoen stuks over de toonbank, zodat de Pixar-boekhouding al na een week opnieuw met 350 miljoen dollar was aangekomen. Daarmee is Finding Nemo overzee alvast de meest succesvolle dvd ooit, goed voor een pittig record waar geen Potter-magie of spinnenkop in spandex-pakje tegen opgewassen is. Het geheim achter het succes van Finding Nemo, dat bij ons nu pas in de bioscoop komt? Simpel. Bij Pixar wil men niet enkel het verbluffen met technische hocus-pocus of digitale gadgets, maar staat het verhaal centraal. Zo ontvouwt ook Finding Nemo zich als een hartverwarmende, behoorlijk grappige en schaamteloos ontroerende film die resoluut en met scherp mikt op het grote publiek. Je moet echt wel een kwal zijn om niet te worden meegesleept door de verzuchtingen van Nemo, een koppig clownvisje dat opgesloten zit in een aquarium en er vol spanning wacht op de komst van vader Marlin, die de hele oceaan heeft doorzwommen om zijn spruit uit zijn benarde situatie te redden. Toegegeven, Toy Story was misschien revolutionairder en Shrek (van grote concurrent Dreamworks) is beslist veel leuker, maar Finding Nemo blijft naar alle maatstaven een amusante crowdpleaser, een bontgekleurde en uit verbluffend ogende 3D-animatie opgetrokken mengeling van gezinsvriendelijke humor, hapklaar sentiment en vliedend avontuur. Geen wonder dat de zalen in de VS alvast volstroomden met kolkende scholen enthousiaste filmliefhebbers, van gierende peuters tot van jolijt kirrende ouders. Daarmee heeft Pixar - dat sinds zijn oprichting de successen aan elkaar rijgt - alweer een kritische én commerciële hit te pakken. Alleen A Bug's Life uit 1998, een komische avonturenfilm over het wel en wee van vlijtige insecten, wist de hooggespannen verwachtingen na het revolutionaire Toy Story (1995) niet meteen in te lossen. Gelukkig werd het commerciële dipje met gemak overbrugd door de zwierige succesnummers Toy Story 2 (1999) en Monsters Inc. (2001). Dat Pixar op de markt van de digitale animatiefilm sinds enkele jaren stevige concurrentie te verduren heeft van Dreamworks - het productiehuis van überproducers Steven Spielberg, Jeffrey Katzenberg en David Geffen dat eerder uitpakte met Shrek - lijkt hen op dit moment nauwelijks te deren. Wel integendeel. Beide studio's blijven mekaar creatief bestoken waardoor het peil van de computer graphics alsmaar verder de hoogte inschiet. VAN DE STROEVE CGI-FILMPJES UIT DE JAREN TACHTIG - geen idee hoeveel moeite het kostte om indertijd ook maar een balletje digitaal aan het rollen te brengen - tot aan het vinnige en visueel verrukkelijke Finding Nemo, Pixar heeft op vijftien jaar duidelijk een lange weg afgelegd. En dat in vijfde versnelling. De tijd dat zowat alle revoluties op het gebied van computergegenereerde speciale effecten per definitie aan George Lucas en zijn Industrial Light & Magic werden toegeschreven, lijkt dan ook voorgoed voorbij. Al gebiedt de eerlijkheid te vermelden dat ook Pixar zijn blitzcarrière begon als een departement van LucasFilm vooraleer het in 1986 uiteindelijk op eigen benen ging staan. Wie hing indertijd over de kribbe van Pixar gebogen? Steve Jobs, de visionaire computergoeroe van Apple, die meteen een grote, met dollartekens beslagen toekomst zag in CGI-animatiefilms. Jobs - die tenslotte niet op een cent hoefde te kijken - stopte het team van de Pixar-pioniers tien miljoen dollar toe en fungeert nog altijd als voorzitter en CEO. Al vijftien jaar lang wordt het Pixar-team op de werkvloer geleid door John Lasseter. Deze hypergetalenteerde animator en computer geek gooide medio jaren tachtig schuimbekkend van frustratie de Disney-deur achter zich dicht. Na de commerciële catastrofe van Tron (1982) - een sciencefictionprent die live action en CGI-animatie trachtte te verenigen - was Disney immers niet langer in computers geïnteresseerd. Lasseter, die voor hen nochtans even tevoren een revolutionaire kortfilm had gemaakt, aarzelde dan ook geen seconde om op het aanbod van Jobs in te gaan. Samen met Dr. Ed Catmull, voormalig hoofd van LucasFilm' computer graphics-afdeling, en Ralph Guggenheim, de techneut die als eerste een computergestuurd monteersysteem had ontwikkeld, vormde Lasseter een triumviraat dat het aanzicht van de moderne animatiefilm ingrijpend zou veranderen. DE 'CLAIM TO FAME' BEGON IN 1986 MET 'LUXO JUNIOR', EEN KORT FILMPJE OVER EEN INNEMEND LAMPJE, geregisseerd en geanimeerd door Lasseter. Het volledig uit bits en bytes opgetrokken kleinood werd meteen gehonoreerd met een oscarnominatie, de eerste uit een lange rij die uiteindelijk zou uitmonden in drie oscars voor Toy Story. Sindsdien staat Pixar te boek als dé specialist op het gebied van de computer graphics-technologie, niet het minst door hun zogeheten RenderMan. Tussen de cartooneske ongein en avontuurlijke fantasie ontwikkelde Pixar immers ook dit hoogst essentiële softwarepakket, waarmee fotorealistische beelden digitaal kunnen worden opgewekt. Geen wonder dat Disney zich in 1995 als een loopse teef tegen de prille animatiestudio aanschurkte om er een lucratief contract tegenaan te gooien. Zo besloten beide giganten vijf films lang zowel de productiekosten als de winsten met elkaar te delen. Blijkbaar is Disney dan toch niet zo goofy als hun pluchen creaturen soms doen bevroeden. 'YOU CAN'T RUSH ART,' STELT DE OUDE MAN UIT 'TOY STORY II', die daarmee allicht ook meteen het credo van Lasseter en co debiteert. Want hoewel computertechnologie de personages van Nemo en Marlin tot leven wekt, blijven ze in eerste instantie ontspruiten aan menselijke creativiteit. Achter de CGI-machine schuilt bij Pixar - dat overigens nog steeds in Emeryville is gevestigd, op hygiënische afstand van Hollywood - dan ook heel wat ambachtelijk werk. Zo ontstond ook Finding Nemo uit het handgetekende storyboard van de development artists, dat in overleg met regisseurs Andrew Stanton en Lee Unkrich werd ineengeknutseld. Pas na deze tijdrovende fase, die verschillende maanden in beslag nam, werd het Gargantueske productieproces op gang getrokken. Eerst bepaalde de art-afdeling precies hoe Nemo en co en hun onderwaterwereld er moesten uitzien. Vervolgens werden de geselecteerde ontwerpen op lage resolutie in de computer ingevoerd in combinatie met videoshots van het storyboard. Samen leverde dat een ruwe montage op die voor de acteurs - onder meer de jonge Alexander Gould als Nemo, naast Albert Brooks, Ellen DeGeneres en Willem Dafoe - kon dienen bij het inspreken van de stemmen. Daarna volgde een maandenlange arbeid met de meest geavanceerde computertechnologie, een procédé dat vaak zo complex is dat alleen al het benoemen van de verschillende technieken ons spontaan naar een aspirine doet grijpen. Maar hoeveel indruk de computerbatterij van Pixar ook mag maken, daarmee hou je het jonge volkje natuurlijk nog geen anderhalf uur lang in de ban van een stel geinige clownvissen, een handvol haaien die middels een zelfhulpgroep van hun kannibalistische impulsen wensen af te geraken en een troep schildpadden die zich als compleet stonede oudere jongeren door een kloeke onderstroom laten meedrijven. Dat Finding Nemo nu al een frisse duik waagt in de filmannalen als de meest succesvolle animatiefilm aller tijden - Disneys Lion King brult sinds kort niet meer zo luid - heeft dan ook vooral met Pixars duurste goed te maken. En dat is nog steeds een dartel gevoel voor humor, authentiek sentiment en kwajongensachtig avontuur. Neen, na het bekijken van deze film zult u beslist nooit meer met dezelfde steriele blik in een tropisch aquarium turen. Door Dave Mestdach