'Elke oorlogsfilm, goed of slecht, is een antioorlogsfilm', orakelde Steven Spielberg ooit. Volgens zijn logica is een film die oorlogsgruwel toont als vanzelf een al dan niet expliciet pleidooi tegen die gruwel. De man die met 1941 (1979), Empire of the Sun (1987), Schindler's List (1993) en Saving Private Ryan (1998) alleen al over WO II vier films regisseerde, gelooft dat het zo realistisch mogelijk in beeld brengen van de smerigheid en brutaliteit van krijgsgeweld het krachtigste argument contra is.
...

'Elke oorlogsfilm, goed of slecht, is een antioorlogsfilm', orakelde Steven Spielberg ooit. Volgens zijn logica is een film die oorlogsgruwel toont als vanzelf een al dan niet expliciet pleidooi tegen die gruwel. De man die met 1941 (1979), Empire of the Sun (1987), Schindler's List (1993) en Saving Private Ryan (1998) alleen al over WO II vier films regisseerde, gelooft dat het zo realistisch mogelijk in beeld brengen van de smerigheid en brutaliteit van krijgsgeweld het krachtigste argument contra is. Die redenering lijkt aannemelijk, en er heeft allicht nog nooit iemand luid 'Yihaa!' geroepen tijdens het inventief met bloed, ledematen en inwendige organen omspringen van dat fameuze eerste halfuur van Saving Private Ryan. Maar wacht even: luid 'Yihaa!' roepen, is dat niet net wat de Irak-soldaten doen in Sam Mendes' Jarhead (2005) wanneer ze in een geïmproviseerde bioscoop aanschouwen hoe de helikopters van luitenant-kolonel Kilgore in Apocalypse Now (1979) een Vietnamees dorpje op de tonen van Wagners Walkürenritt met de grond gelijkmaken? Zingen de jongens daarin niet enthousiast mee? Roepen ze geen dingen als 'Sterf Charlie!' en 'Run motherfuckers!' naar het scherm? Laten ze zich niet compleet opnaaien door Robert Duvall en diens ochtendlijke geur van napalm? En was Apocalypse Now geen antioorlogsfilm? Wel volgens regisseur Francis Ford Coppola. Hij is een aanhanger van het Spielberg-credo dat een filmmaker die een oorlogsfilm maakt niet anders kan dan er een antioorlogsfilm van maken. Coppola's ultieme Vietnamopera moest een ervaring zijn die je de horror, de waanzin en het morele dilemma van de Vietnamoorlog zintuiglijk deed voelen. Missie geslaagd, maar dat die zintuiglijke ervaring niet noodzakelijk tot een afkeer van geweld zou leiden, daar had Coppola niet aan gedacht. Wie er wel aan gedacht had, was John Milius. De wapengekke regisseur van Conan the Barbarian (1982) en de uitgesproken pro-oorlogsfilm Red Dawn (1984) schreef het scenario van Apocalypse Now en noemt zich al jarenlang met trots een militair pornograaf. Als iemand Mendes' van bloeddorst juichende jarheads had kunnen voorspellen, dan hij wel. En Milius is niet de enige rechtse rakker die bewijst dat er wel degelijk zoiets bestaat als een pro-oorlogsfilm. Zo zou de moeilijk van linksig pacifisme te beschuldigen John Wayne het met Spielbergs antioorlogsfilosofie niet snel eens geworden zijn. Met zijn heroïsche hoofdrol in Allan Dwans WO II-film Sands of Iwo Jima (1949) joeg de legendarische westernacteur volgens Vietnamveteraan Ron Kovic (later zelf door Tom Cruise vertolkt in Oliver Stones Born on the Fourth of July) vele Amerikaanse jongeren recht de Vietnamoorlog in. En twintig jaar later probeerde Wayne met The Green Berets de volgende lading kanonnenvlees nogmaals van de nobele oorlogszaak te overtuigen. Dat deed hij onder andere door de wrede dood van zijn Special Forces-soldaten weer te geven als heldhaftige daden van zelfopoffering. In die zin verschilt een 'pro-oorlogsfilm' in niets van een 'antioorlogsfilm'. Wie sterft in de cinefiele oorlogshel gaat in beide gevallen recht naar de hemel. Misschien moeten we dus niet naar Spielberg luisteren maar veeleer naar François Truffaut. Aan de Franse nouvelle-vagueregisseur wordt namelijk de uitspraak toegeschreven dat er helemaal niet zoiets bestaat als een antioorlogsfilm. Dat films met hun verhalen over het avontuur, de camaraderie en de heldhaftigheden van soldaten niet anders kunnen dan geweld verheerlijken. Realistische oorlogsgruwel tonen aan betalende bioscoopbezoekers is zo bekeken niet per se een veroordeling van die gruwel maar een haast perverse vorm van plezier scheppen in het cinematografische bloedvergieten. Waar regisseur Mel Gibson met zijn nieuwe film Hacksaw Ridge in die hele discussie staat, is duidelijk. 'Dit is een antioorlogsfilm', laat malle Mel in interviews verstaan. Dat alle oorlogsfilms antioorlogsfilms zijn, voegt hij daar dan Spielberg napratend aan toe. En omdat de regisseur van de bloederigste Bijbelfilm aller tijden - de zweepslagen uit The Passion of the Christ (2004) striemen nog steeds - graag de daad meteen bij het woord voegt, probeert hij Spielberg te out-spielbergen in zijn verhaal over de gewetensbezwaarde Desmond T. Doss, die in 1945 bij de slag om Okinawa meermaals zijn leven waagde om zijn medesoldaten te redden. Hacksaw Ridge kreeg van de Motion Picture Association of America een R-rating voor 'zijn intense, langdurige en realistische grafische sequenties van gruwelijk en bloedig oorlogsgeweld' en draagt die rating als een ereteken. Gibsons weergave van 'the hellfire of battle' is zo aanschouwelijk dat Spielbergs beruchte Omaha Beach-sequentie uit Saving Private Ryan wel een rustige zondag aan het strand lijkt. En toch is die befaamde openingsscène van Spielberg de directe oorzaak van het rijkelijk vloeiende bloed in Hacksaw Ridge. Want zoals er na Stanley Kubricks Full Metal Jacket (1987) enkele jaren lang geen oorlogsfilm zonder boot camp-sequentie meer gemaakt kon worden, kan er sinds Saving Private Ryan geen oorlogsfilm meer gemaakt worden zonder een met velerlei lichaamssappen overgoten slachtpartij. Spielbergs credo is gospel geworden. Het destijds door vele veteranen bevestigde zo-was-het-echtgevoel van Saving Private Ryan was niet alleen een niet mis te verstane sneer aan het adres van Spielbergs voorgangers, die het gewaagd hadden om aan realisme te verzaken door geen afgehakte ledematen te tonen, het was vooral een waarschuwing aan elke filmmaker die erna kwam. Sinds Spielbergs landing in Normandië staat meer bloed gelijk aan meer realiteit. En zo komt het dat op een vreemde manier meer grafisch geweld ook gelijk is komen te staan aan meer antioorlogsgevoelens. In 1998 moest Spielberg aan pers en publiek nog uitleggen dat zijn twintig minuten durende weergave van de hel van D-Day geen gratuit spektakel was, maar een - net door dat realisme - keiharde veroordeling van de oorlogsgruwel. Vandaag moet een filmmaker zich bijna verantwoorden wanneer hij voor een oorlogsfilm net geen liters bloed en losse lichaamsonderdelen bestelt bij het maquillagedepartement. Want volgens de spielbergiaanse logica is een oorlogsspektakel dat geen gruwel toont niet realistisch en houdt het daardoor dus ook geen veroordeling in. Sinds Saving Private Ryan lijken meer bloed, meer geweld en meer reepjes dikke en dunne darm die van de camera druppen de enige manieren om nog een antioorlogsfilm te maken. Dat is ooit anders geweest en hoewel François Truffaut er niet ver naast zat toen hij beweerde dat fictie nooit een echte antioorlogsfilm kan zijn omdat een verhaal altijd betekenis geeft aan iets dat je als betekenisloos wilt afschilderen, kwamen in het verleden enkele filmmakers toch dicht in de buurt. Stanley Kubrick had voor Paths of Glory (1957) genoeg aan enkele tracking shots en een uitgekiend sound design om de horror van een loopgravenoorlog diep in de ziel van zijn kijkers te hameren en Lewis Milestone liet je in All Quiet on the Western Front (1930) meevoelen met een piepjonge Duitse soldaat die kapotgaat van verdriet wanneer hij een Fransman doodt. Jean Renoir focuste in La grande illusion (1937) op de complete zinloosheid van de oorlog en Abel Gance had het in J'accuse (1919) over de psychologische gevolgen van oorlogvoeren op de geestestoestand van soldaten. Dalton Trumbo's Johnny Got His Gun (1971) - misschien wel de enige antioorlogsfilm die naam honderd procent waardig - toonde geen enkele gevechtsscène, maar benadrukte de rol van toeval en willekeur en probeerde de gevolgen van verminking voor de kijker tastbaar te maken. Voorbeelden genoeg dus van antioorlogsfilms zonder letterlijke guts and glory, maar er zal opnieuw een visionair regisseur moeten opstaan voor er zo nog eens eentje de Hollywood Hills verovert. Knoop het in je oren, Mel! door Sam De WildeVandaag moet je je als filmmaker bijna verantwoorden wanneer je voor een antioorlogsfilm géén liters bloed en afgeschoten lichaamsdelen bestelt. Want zonder gruwel geen veroordeling van dat oorlogsgeweld.