CSI: SEIZOEN 2 - INDIES HOME ENTERTAINMENT, 963 MINUTEN
...

CSI: SEIZOEN 2 - INDIES HOME ENTERTAINMENT, 963 MINUTEN 'To get to the evidence, we may have to destroy the evidence.' Laat ik het maar meteen bekennen: ik zou dolgraag Gil Grissom zijn. De voorman van het onderzoeksteam in CSI is niet minder dan het toppunt van cool. Met een enigmatische blik komt hij de crime scene opgewandeld - kort knikje naar de politieagent ter plaatse -, hij spreekt een diepzinnige oneliner als bovenstaande uit, hurkt, laat even een tapijtpluisje tussen zijn vingers draaien, en zegt dan: slachtoffer X is al twee uur dood, ze is vermoord met een stomp voorwerp, waarschijnlijk een baseballbat, door een man die ze goed kent. Als de agent dan vraagt hoe hij zo zeker is dat het een man was, zegt hij: 'Omdat de wc-bril rechtop staat'. Grissom is een kruising tussen Sherlock Holmes en Humphrey Bogart, een man voor wie forensics een vorm van religie is. En hij is vast en zeker niet te kloppen in een spelletje Cluedo. De politieserie CSI is al enkele jaren een van de best bekeken series in de VS, en tart met dat fenomenale succes alle televisielogica. Een heilige regel in de wereld van de tv-drama's luidt namelijk: als je veel kijkers wilt, zorg dan dat je hoofdpersonages problemen meemaken die herkenbaar zijn voor de kijkers. Zo moeten de politieagenten uit NYPD Blue (of die uit Flikken) niet alleen op het bureau maar ook thuis hommeles hebben. En Tony Soprano mag dan wel een maffiabaas zijn, de grootste kopzorgen krijgt hij van zijn tienerdochter die maar geen keuzes lijkt te willen maken in het leven. Niet zo bij CSI. Daar staat maar één ding centraal: the evidence, en de manier waarop de detectives ermee omgaan om de zaak op te lossen. Je leert er alles over vingerafdrukken, DNA-analyses, gezichtsreconstructies... Over het privé-leven van de CSI-leden weet je echter zo goed als niets, ook niet na een marathonzitting. Het vreemde is echter dat je meteen sympathie hebt voor Grissom en zijn crew. Je leeft met hen mee, niet omdat ze herkenbare problemen hebben, maar om de manier waarop ze met elkaar omgaan, hoe ze zich gedragen. CSI is een schitterend geschreven ensemble drama, waarin personages van vlees en bloed worden neergezet met zo weinig mogelijk achtergrondinformatie. In het tweede seizoen zijn de makers iets guller met die informatie, maar lange scènes bij Grissom thuis (heeft hij wel een thuis?) of een diep gesprek tussen CSI-leden Warwick en Sidle over hoe hun relatie met hun moeder spaak is gelopen, we zien het nog niet zo dadelijk gebeuren. Dat er in het tweede seizoen wat meer aandacht is voor het privé-leven van de CSI-leden is ook niet meer dan normaal, want de technologische en wetenschappelijke invalshoek is niet onuitputtelijk. Je kunt een DNA-analyse niet op honderd verschillende manieren in beeld brengen. Zeker als je een reeks afleveringen na elkaar bekijkt, zie je vaak dezelfde dingen opduiken. En als dan voor de elvendertigste keer twee leden van het CSI-team op de tonen van een zweverig elektrodeuntje met de zaklamp (er is, met uitzondering misschien van The X-Files, geen enkele Amerikaanse serie waar zo vaak de zaklamp wordt bovengehaald) de crime scene afschuimen op zoek naar vinger- of voetafdrukken, dan durft zoiets wel eens op de zenuwen en de lachspieren werken. Zeker als je weet dat de ontbrekende schakel een haartje zal zijn dat zich bevindt onder aan de afvoerpijp van de wastafel. Net als je echter denkt dat je het trucje wel door hebt, dat de whodunits en de whydunits voorspelbaar zijn, dat het rijtje crime scene-DNA-dader afgezaagd wordt, dan slaagt CSI erin om je te verrassen: bijvoorbeeld met een aflevering waarin er helemaal geen misdaad is gebeurd ( Chaos Theory), of met een briljante episode ( Alter Boys) waarin twee broers beschuldigd worden van een dubbele moord en de verkeerde broer in de gevangenis belandt, ook al weet Grissom dat hij het niet gedaan heeft. The evidence laat hem in de steek, en zijn reactie zegt meer over zijn personage dan honderd verhalen over zijn privé-leven. Door Stefaan Werbrouck