Eerste zin Je vroeg me hoe het eindigt; zo dus: met stilte.
...

Eerste zin Je vroeg me hoe het eindigt; zo dus: met stilte. Dat alle koraal plots zou afsterven, dat er een aanslag zou gebeuren en haar ouders en haar zusje Arissa zouden verdwijnen, dat er een oorlog zou komen en - met een dubbele lijn eronder - dat ze onverwacht een spreekbeurt zou moeten geven. Dat zijn voor de dertienjarige Fana de grootst mogelijke angsten. En dat het pesten op school erger zou worden wellicht, want niet alleen is Fana mat haar Iraanse achtergrond bruiner dan de andere kinderen, ze heeft ook nog eens donker haar op haar armen en een vreemde interesse: astronomie. Haar 'vriendinnen' Isa en Noëlle vinden het maar niets. Omdat de puberteit van de iets oudere Viko niet echt opschiet en hij daarom de risee van zijn klas is, begint hij zich in sociaal-darwinistische fantasieën onder te dompelen. Hij zoekt parallellen tussen mensen en elkaar dood pikkende hanen en verkrachtende eenden. Op het internet stoot hij op het discussieplatform van de Echte Jongens, een stel trollen dat zich verzet tegen 'feminazi's' en zich optrekt aan het uitkramen van offensieve slogans. Viko sluit zich bij hen aan en krijgt daardoor meer aanzien op school, in zoverre zelfs dat Elias, de jongen op wie hij stiekem verliefd is, zijn plaats als onderste in de pikorde moet innemen. Emy Koopmans nieuwe roman Het boek van alle angsten begint in 2016 en eindigt in 2033, met in 2026 een heuse cesuur, veroorzaakt door de klimaatopwarming. Van dat jaar af verandert de wereld in een duale plek, met steden waarin mensen in hoge torens behandeld worden voor hun psychische aandoeningen en de sukkels verbannen worden naar de Buitengebieden, waar ze als seksspeeltjes worden gebruikt en tussen het afval overleven. Fana, wier zusje Arissa tegen dan echt verdwenen is, werkt op de angstafdeling van zo'n toren, waar ze Isa als patiënte over de vloer krijgt. Wanneer Viko de Buitengebieden bezoekt, merkt hij Elias op, waarna zijn erotische verleden met hem weer komt opborrelen. In een minder maniëristische taal dan in haar debuut Orewoet heeft Koopman in haar tweede roman niet alleen alle angsten van deze wereld, maar ook die wereld zelf en al haar maatschappelijke hete hangijzers proberen te vangen. Enige intellectuele overdaad is het boek daardoor niet vreemd, maar wie daar doorheen wil kijken, vindt eronder een pakkend verhaal vol menselijke emoties en ervaringen.