Eerste zin Soms als ik mijn werkkamer binnenkom en mijn oog laat vallen op de groepsfoto die er tegen de muur hangt, denk ik: de leerkrachten wiskunde en wetenschappen van een lyceum uit een middelgrote Franse provinciestad.
...

Eerste zin Soms als ik mijn werkkamer binnenkom en mijn oog laat vallen op de groepsfoto die er tegen de muur hangt, denk ik: de leerkrachten wiskunde en wetenschappen van een lyceum uit een middelgrote Franse provinciestad. Wat Leo Pleysier in die eerste zin hierboven echt ziet, is een foto die in 1983 gemaakt werd na een etentje in een Antwerps restaurant. Er staan acht schrijvers op, onder wie Ivo Michiels, Hugo Claus en Pleysier zelf. Zes van de acht zijn inmiddels dood, beseft de schrijver en de foto wordt een vertrekpunt om door zijn leven te hoppen, als een heggenmus op zoek naar voedzame zaadjes. Als een vogel dus, want toen hij als kind hoorde dat de tijd vliegt, dacht hij meteen dat het een soort vogel moest zijn, de vogel die als een van de rode draden doorheen het boek fladdert en die ook op de kaft te zien is. Heel de tijd zou je een Kempische A la recherche du temps perdu kunnen noemen, die zich niet afspeelt in het breedsprakerige Parijs, maar in het nuchtere Rijkevorsel, waar Pleysier opgroeide op de ouderlijke boerderij, en waar zijn broer een scharlakenrode tangara in zijn volière hield, tot het beestje niet tegen de vorst bleek te kunnen en vervangen werd door een rode kardinaal. Ook een schone vogel, zei iedereen, maar die tangara kon toch mooier zingen. Pleysier gaat niet op zoek naar de grote verhalen, maar wel naar de kleine, die misschien wel preciezer tonen wat het betekent om een mens te zijn. Zoals naar het verhaal van 'onze Herman', zijn doodgeboren oudere broer over wie moeder zo vaak vertelde dat hij voor de kleine Leo een gezinslid als de anderen werd. Zoals het een boek over de tijd betaamt, loert de dood achter iedere hoek. Misschien wel om die dood op afstand te houden freewheelt Pleysier bijzonder jazzy van de ene anekdote naar het volgende fait divers, waarbij hij de gebeurtenissen verankert aan objecten die iedereen zich wel herinnert, zoals Tigra-sigaretten of een Zündapp-motorfiets. Wanneer hij het over de bekende Pelikan-gom heeft, voor twee derde rood en de rest blauw, of over de potloodslijper in de vorm van een klein wereldbolletje, kun je alleen maar glimlachen. En trager gaan lezen, want Pleysier slaagt er bijzonder goed in de lezer in de kadans van zijn herinneringen te krijgen. Hij is een trage schrijver die trage lezers verdient.