Ik stond ook maar gewoon bij een koppel vrienden in de keuken toen een van hen een gesprek begon. Omdat zij mij een maal hadden aangeboden en dan ook nog eens iets om te drinken, liet ik mij verleiden tot het vertellen van enkele anekdotes over de jaren negentig. Een periode waarin het leven nog eenvoudig was en je gelukkig nog niet wist: hier ga ik binnen vijftien jaar anekdotes over vertellen in de keuken bij vrienden. Ik wist toen niet eens dat ik vijftien jaar later nog vrienden zou hebben, laat staan het soort met echte huizen en tuinkoten. Ik wist ook nog niet dat de beste plaats in het huis meestal de keuken is, zelfs...

Ik stond ook maar gewoon bij een koppel vrienden in de keuken toen een van hen een gesprek begon. Omdat zij mij een maal hadden aangeboden en dan ook nog eens iets om te drinken, liet ik mij verleiden tot het vertellen van enkele anekdotes over de jaren negentig. Een periode waarin het leven nog eenvoudig was en je gelukkig nog niet wist: hier ga ik binnen vijftien jaar anekdotes over vertellen in de keuken bij vrienden. Ik wist toen niet eens dat ik vijftien jaar later nog vrienden zou hebben, laat staan het soort met echte huizen en tuinkoten. Ik wist ook nog niet dat de beste plaats in het huis meestal de keuken is, zelfs als je met moeite een eenvoudige spaghetti kunt bereiden. We nemen vaak aan dat het leven vroeger simpeler was. Terwijl de technologie en haar industrie ons willen doen geloven dat alles gemakkelijker wordt. Misschien wel een van de paradoxen van het laatste decennium: hoe dichter we komen bij het scifi-achtige ideaal van machines en programma's die ons het leven eenvoudiger moeten maken, hoe harder onze koppen in overdrive gaan en hoe meer afleiding, pillen of therapie we nodig hebben om ze weer rustig te krijgen. Wat niet wegneemt dat vliegtickets kopen via je telefoon of je maat in New York even skypen natuurlijk geweldig is. Maar de energie die we besparen moet ergens heen. En we weten nog niet goed waarheen dat dan moet zijn. Niet compleet onlogisch. Tweeënhalf miljoen jaar geleden raapte iemand een steen op en zei: allez, hier ga ik eens mee aan de slag. En dan nu, op een generatie of twee, zijn de enigen die nog met hun handen werken mensen die daar hun beroep van gemaakt hebben. Ook cultureel lijkt het er vroeger alleszins rustiger te zijn toegegaan. Er waren nog niet de democratische productiemiddelen die vandaag een eindeloos grote indiescene mogelijk maken. De mainstream werd bijna tot Napster gedicteerd door enkele studio's of labels die besloten waar we naar keken of luisterden en dat ging niet over duizenden acts, zelfs geen honderden, maar wel tientallen. Voor de Stones of de Beatles zijn, dat verhaal. Een verhaal dat eindigde met voor Blur of Oasis zijn, vermoed ik. Daarna mocht je tegelijk van de slappe smeerkaas van Coldplay houden als van de experimentele mathcore van het bandje van de buurjongen. Het gesprek in de keuken kwam tot de vraag of de constante lawine leidt tot vervlakking. Een vraag die zichzelf natuurlijk grotendeels beantwoordt. Er komen elke week alleen al van Nederlandstalige singer-songwriters die in een perfect verstaanbaar dialect over saaie seks met meisjes op metaforisch bedoelde treinen zingen al minstens negentien releases uit. En wie wil dat? Niemand. Maar het gaat wel vooruit. Een beetje zoals een tekstkrant waarvan de snelheid te hoog staat. Je leest nu en dan nog wel een woord, maar de context gaat helemaal verloren en het enige wat je kunt besluiten is: amai, dat gaat snel. Om dan je ogen te sluiten en te denken aan een anekdote uit de jaren negentig. P.B. GRONDAER VERSCHIJNEN ELKE WEEK VAN NEDERLANDSTALIGE SINGER-SONGWRITERS ALLEEN AL NEGENTIEN PLATEN OVER SAAIE SEKS MET MEISJES OP METAFORISCH BEDOELDE TREINEN. EN WIE WIL DAT? NIEMAND.