Paul Baeten Gronda
...

Paul Baeten GrondaIn een Leuvense krantenwinkel werd mijn vraag of The New Yorker er te koop was onlangs beantwoord met een andere vraag, namelijk: 'De wát?' 'New Yorker.' 'Hm. Nee. Dat ken ik niet. Over wat gaat dat?' Ik probeerde iets te zeggen. Maar het... lukte... niet. 'Meneer?' 'Doe me maar een cola en een Win For Life, dan.' 'Een gewone of een grote?' 'Hebben we het over de cola of de Win For Life?' 'De Win For Life.' 'Doe dan maar een grote.' Nu weet ik wel dat dit nogal blasé klinkt, maar het moet ook niet altijd over het parcours van een velokoers, de straffe voetbalinzichten in Het Nieuwsblad of het weer aan de Belgische kust gaan. De scène vat overigens perfect samen waarom het leven al snel verzandt in het najagen van kortdurende suikerkicks en kapitalistische wensdromen op het moment dat de fundering van ideeën, verhalen en humor verdwijnt. De dag waarop een krantenboer niet meer weet wat The New Yorker is, is de dag waarop een politicus niet meer weet wie pakweg Robert Schuman was. Soit. Ik word oud en begin te zagen. Geheel toevallig stelde Macy Halford op de website van diezelfde New Yorker onlangs de vraag of we - als consumenten, lezers en mensen - moeite moeten doen om onze zelfstandige boekenwinkels te behouden wanneer die in financiële nood verkeren. Het kon haar nooit veel schelen, die verhalen over sluitende platen-, film- en boekenwinkeltjes, tot een van haar favoriete boekenwinkels plots 'gered' diende te worden. Wat een emotionele zaak is, vreemd genoeg. Ik kan me moeilijk inbeelden dat we plots met z'n allen meer saucisse gaan kopen als de slagers in problemen komen, of dat we twee kratten Evian meer uit de Delhaize meepakken omdat de kwartaalcijfers tegenvallen. Maar als de winkels die ons voorzien van het zuur en het zoet in ons leven plots dreigen te verdwijnen of de deuren moeten sluiten, dan is dat toch een ander verhaal. Dat merkte ik onlangs bij de sluiting van de legendarische Leuvense platenzaak JJ Records. Hypocriet in mijn geval, omdat ik al jaren muziek koop via mijn computer en dus in zekere zin deel uitmaak van de oorzaak. Niet dat ik me daar schuldig over voel - alles evolueert - maar ik stel me wel de vraag waar de zestienjarigen van vandaag de echte muziek gaan ontdekken, zodat ze toch niet allemaal Coldplay en Kings of Leon moeten halen in de grote ketens. Zoals ik al zei: ik word oud en begin te zagen. Maar zoals Halford verder schrijft: bepaalde winkels vormen mee je beeld van een stad, en zo wil zij niet leven in een New York zonder boekenwinkels. En als ik dan denk aan de humorafdeling op de -1 van McNally Jackson aan Prince Street, weet ik dat ze gelijk heeft. Want wat rest er van een stad als de menselijke winkels verdwijnen? Grote gebouwen en attracties. Metrostations en parken. Lanen en steegjes. Ook allemaal essentieel, daar niet van. Maar we hebben ook die holletjes nodig om ons even in te kunnen verstoppen. Dat is in New York zo, maar evengoed in Londen, Lier, Lovendegem of Leuven, waar je naast de Fnac, waar ik overigens erg graag kom, ook erg geslaagde 'indie' winkels hebt, zoals Het Paard Van Troje, De Dry Coppen of stripwinkel Het Besloten Land. Dat zijn plekken die je even doen vergeten waar je ook weer precies bent, zonder de nare gevolgen van te veel alcohol of andere drugs. Wij hebben dat soort plaatsen zeker evenveel nodig als zij ons. Al mogen we niet vergeten er af en toe ook een waanzinnige stapel boeken in te laden. Het kan niet de bedoeling zijn om boekenwinkels te gaan subsidiëren omdat ze een bepaalde functie hebben in het weefsel van een stad. Zij zullen zich moeten aanpassen - wat ze ook doen - en wij kunnen maar ons voordeel doen met al dat papieren schoons op de schappen. Of willen we op een dag door een stad wandelen waarin niemand nog weet wat de hel The New Yorker wel mag wezen? Plus est en nous! Komaan! Volksverheffing! Mein Fuhrer, I can read! Had ik al vermeld dat ik oud word?Wat rest er van een stad als de menselijke winkels verdwijnen?